Meer dan één ‘ik’

Meer dan één ‘ik’

Was de meervoudige persoonlijkheidsstoornis een modeziekte?

In: Opzij, november 2005, Tekst Carla Rus, psychiater-psychotherapeut Beeld Carlijn Volders

In de jaren tachtig werden de media overspoeld door een nieuwe psychiatrische ziekte, waarbij iemands persoonlijkheid bleek opgesplitst in deelpersoonlijkheden. De ‘meervoudige persoonlijkheidsstoornis’ sprak zo tot de verbeelding, dat er een hausse aan films en boeken volgde. Toch hoor je er nu weinig meer over. Psychiater en traumatoloog Carla Rus over de vraag of het achteraf om een modeziekte ging.

Pia komt ambulant bij mij onder behandeling na een zelfmoordpoging. Haar armen zitten vol met oude littekens van krassen. De eerste twee maanden kijkt ze wantrouwend naar mij en is ze verbaal agressief. Als ik haar hiermee confronteer, zegt ze dat ik haar toch wel zal wegsturen, zodat ze maar beter zelf het voortouw kan nemen. Wanneer zij opnieuw een zelfmoordpoging doet en ik haar regelmatig in het ziekenhuis opzoek, slaat ze als een blad aan een boom om. Ze klampt zich angstig aan me vast, houdt nauwkeurig mijn agenda bij om te zien of ik niet stiekem een afspraak met haar oversla en vertelt me uiteindelijk dat ze bang is dat ik haar overdraag aan een andere therapeut.
Pas na twee jaar gaat dit angstige vertrouwen schoorvoetend over in echt vertrouwen. Voorzichtig onderzoeken we haar jeugd, waarbij duidelijk wordt dat ze zeer nare dingen heeft meegemaakt, waar ze slechts globaal over kan spreken.
Op een dag gebeurt er iets vreemds. Ze is opnieuw agressief tegen me, maar op een andere manier dan in het begin. Ze valt me nu fysiek aan, waarbij ze met een zware stem spreekt die ik niet herken als de hare. De keer daarna weet ze hier echter niets meer vanaf. Ze draagt dan een pluchen speelgoedbeest met zich mee, dat ze stevig tegen zich aanklampt. Later legt ze me tijdens een huisbezoek haarfijn uit dat alle knuffels die ze bezit kameraadjes van haar zijn, die haar door haar moeilijke jeugd heen hebben geholpen. Ze praatten regelmatig tegen haar en werden uiteindelijk interne hulpstukken.

De meervoudige persoonlijkheidsstoornis (MPS, tegenwoordig dissociatieve identiteitsstoornis genoemd), is een extreme overlevingsstrategie van de geest na (seksuele) mishandeling vóór het zevende levensjaar. De persoonlijkheid splitst zich op in verschillende deelpersoonlijkheden (alters), die ieder óf een stuk van het trauma, óf een stuk van de gewone realiteit voor hun rekening nemen. Zo kan de ene alter bijvoorbeeld het verdriet bewaren, de andere de boosheid en de volgende zorgt ervoor dat er gewoon naar school gegaan wordt. Omdat meisjes vaker slachtoffer zijn van seksueel misbruik dan jongens en zij ook gevoeliger zijn voor deze stoornis, komt MPS vele malen vaker voor bij meisjes dan bij jongens.

Carla Rus over Meer dan een ikOpsplitsing van de identiteit in meerdere alters is de meest vérgaande vorm van dissociatie (ontkoppeling) tussen verschillende facetten van de psyche. Er zijn ook minder extreme vormen, bijvoorbeeld na een groepsverkrachting in de puberteit. In dat geval kunnen bepaalde emoties of gedachten over het gebeuren worden afgesplitst, waarna zij apart van elkaar diep weggeborgen worden in het geheugen. Een enkele keer wordt de hele herinnering aan het gebeuren ogenschijnlijk gewist. Hoewel dergelijke trauma’s evengoed ernstige dissociatieve stoornissen opleveren, splitsen zij echter nooit de héle identiteit op, zoals bij MPS.
Pia (de naam is om privacyredenen gefingeerd) was mijn eerste patiënte met MPS. Dat was medio jaren tachtig, een aantal jaren voordat – na een eeuw stilzwijgen over dit onderwerp – Onno van der Hart en Suzette Boon een artikel over dit ziektebeeld in een vakblad schreven. Dankzij dit artikel vielen voor mij de puzzelstukjes in elkaar en kreeg ik methodieken aangereikt voor het omgaan met de verschillende alters.
Het ziektebeeld sprak ook tot de verbeelding van het grote publiek en dus was het niet vreemd dat er vanaf de jaren tachtig een hype rond MPS ontstond. Er verschenen boeken en zelfs films. Zo speelde Shelley Long in 1990 de rol van Trudi Chase (achttien persoonlijkheden) in de film Voices Within en in Nederland verscheen in 1994 het boek De 147 persoonlijkheden die ik ben van Liz Bijnsdorp. Maar niet lang na de hype kwam er ook forse kritiek. MPS zou op fantasie berusten. Veel patiënten zouden er namelijk in therapie pas achter gekomen zijn dat zij seksueel waren misbruikt (men sprak daarom ook wel van ‘hervonden herinneringen’). De therapeut zou hen het misbruik dus wel in de mond hebben gelegd. Uit geheugenonderzoek bij geestelijk gezonde mensen bleek bovendien dat trauma’s niet gepaard gaan met geheugenverlies. Integendeel. Mensen konden zich trauma’s juist béter herinneren dan neutrale gebeurtenissen. Advocaat Chris Veraart voerde in die tijd verschillende processen namens ouders die onterecht van seksueel misbruik waren beticht. We hadden in die tijd ook te maken met de nasleep van de beruchte Bolderkar-affaire (1989), waarbij hulpverleners met behulp van poppen, achteraf gezien onterecht, vaststelden dat een tiental kinderen in een kinderdagverblijf seksueel waren misbruikt.
Vaak heb ik in die tijd aan Pia gedacht. Hoe wij vóór het verschijnen van dat eerste wetenschappelijke artikel als twee meesteramateurs hebben uitgevlooid wat er met haar aan de hand was. Ik heb haar niets gesuggereerd, omdat ik in mijn klinische praktijk nog geen rekening hield met het bestaan van MPS. Zij kan in die tijd nog niet zijn beïnvloed door de media. Ook om die reden is zij altijd een belangrijke patiënte voor mij gebleven.

De kritiek op de beroepsgroep heeft ertoe geleid, dat therapeuten zich met elkaar terugtrokken om zich te bezinnen. Dat bracht met zich mee dat ze zich minder in de media roerden. De diagnose MPS wordt sindsdien bovendien zorgvuldiger gesteld. Voor een psychotherapeut is het credo nu: niet zwijgen of toedekken, maar ook geen ‘vergeten’ zaken actief naar boven halen.
De bezinning leidde er tevens toe dat therapeuten realistischer werden wat betreft de haalbaarheid van bepaalde behandelresultaten. Het ideaal om alle trauma’s te verwerken, de alters met elkaar te laten samenwerken en bij voorkeur weer tot één persoon te laten integreren, blijkt namelijk voor weinig patiënten weggelegd. Wanneer de patiënte te ernstig getraumatiseerd is of onvoldoende sociale support heeft, is het juist verstandiger de verdringing intact te laten. Van het trauma worden dan slechts díe aspecten aangepakt, die zulke heftige klachten geven dat de patiënte het dagelijks leven niet aankan.
Dat de belangstelling voor MPS in de media is geluwd, zegt niets over het werkelijke bestaan ervan. Precieze getallen zijn echter niet bekend. Volgens (hoge) schattingen van psychiater Nelleke Nicolai lijdt van alle psychiatrische patiënten 30 procent mede aan dissociatie. Ongeveer 5 à 10 procent zou de meest vérgaande vorm hebben, namelijk MPS. Hoe vaak dissociatie of MPS in de totale Nederlandse bevolking voorkomt, weten we niet. In de Verenigde Staten blijkt 4 procent van de bevolking aan een of andere vorm van dissociatie te lijden.
MPS is al sinds 1994 opgenomen in het officiële classificatiesysteem van psychische stoornissen en wordt onderwezen aan studenten psychologie. Uit onderzoek is inmiddels gebleken dat bij patiënten, in tegenstelling tot geestelijk gezonde mensen, herinneringen aan een trauma wel degelijk een tijd weggeweest kunnen zijn. En de nieuwste ontwikkeling is dat de diagnose tegenwoordig via een hersenscan bevestigd kan worden: twee verschillende persoonlijkheden van een patiënt blijken ook verschillende delen van de hersenen te activeren.
MPS is dus geen modeziekte! Sterker nog: iets meer media-aandacht voor dissociatie en MPS zou juist in deze tijd weer erg op zijn plaats zijn, nu er steeds vaker groepsverkrachtingen voorkomen die kunnen leiden tot moeilijk behandelbare dissociatieve reacties.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.