Lijnen tot de dood

Lijnen tot de dood

Media leggen meisjes een onhaalbaar slankheidsideaal op

In: Opzij, februari 2005

Vier van de vijf meisjes in de middelbare-schoolleeftijd doet 'aan de lijn'. Geen wonder: ze worden immers door de media overspoeld met beelden van perfecte vrouwen. Een onzekere puber heeft daar geen verweer tegen en loopt groot gevaar een ernstige eetstoornis te ontwikkelen, constateert psychiater Carla Rus. 

Lijnen tot de dood - Opzij

Klein en zacht
heb ik de macht,
een flirt met de dood
maakt mij groot

Dit gedichtje schreef mijn cliënt die aan anorexia nervosa leed. Laten we haar Lisa noemen. Door het vele braken had zij een ernstig kaliumtekort met als gevolg hartritmestoornissen. Het opgerispte maagzuur had in het slijmvlies van haar slokdarm een pijnlijke zweer uitgebeten. Lisa was een perfectionist en probeerde krampachtig te voldoen aan haar te hoge morele normen. Ze hongerde om zichzelf te bewijzen dat ze hiertoe in staat was én om het gewone aardse bestaan te ontstijgen.
Haar moeder was eveneens mager en geobsedeerd door haar lichaamsgewicht, en ook twee nichtjes leden aan anorexia. Lisa was tien jaar oud toen ze begon met lijnen, al werd de anorexia pas ontdekt toen ze vijftien was. Ze zag er met haar krap dertig kilo doorschijnend uit, en het leek of ragfijne vleugels haar een onzichtbaar klein stukje boven de aarde lieten zweven.
Lisa's verhaal pleit voor een genetische verklaring voor anorexia. Haar nichtjes hadden het immers ook, terwijl ze in een andere omgeving opgroeiden. Uit klinisch onderzoek blijkt dat anorexia in bepaalde families inderdaad vaker voorkomt en moleculair-genetisch onderzoek toont aan dat er minstens vier genen bij betrokken zijn. Door de ontdekking van deze 'anorexia-genen' helt een deel van de onderzoekers en behandelaars in de nature-nurture-discussie over naar een biologische verklaring van eetstoornissen. Het andere deel erkent weliswaar de genetische gevoeligheid voor anorexia, maar ziet dit toch slechts als een deel van het verhaal. Want ook wanneer je de betreffende genen hebt, komen die slechts onder invloed van omgevingsfactoren tot expressie. Voor die laatste theorie pleit het feit dat het aantal mensen met eetstoornissen sinds de jaren zestig sterk is toegenomen en de laatste vijftien jaar zelfs verdubbeld, hoewel de getallen voor anorexia nervosa de laatste jaren zijn gestabiliseerd. We mogen aannemen dat sinds de jaren 60 en in de laatste 15 jaar het menselijk genoom niet wezenlijk is veranderd, zodat deze verdubbeling wel het gevolg móét zijn van verandering in omgevingsfactoren en verbeterde diagnostiek.
Een andere opmerkelijke constatering is dat anorexia bij meisjes negen keer vaker voorkomt dan bij jongens. Voor boulimia is deze factor zelfs dertig. Wanneer dit verschil een genetische oorzaak zou hebben, ligt het voor de hand dat (een deel van) de anorexia-genen op het vrouwelijke X-chromosoom ligt. Daar zijn echter geen aanwijzingen voor. Blijkbaar zijn omgevingsfactoren, zoals het slankheidsideaal, het eetpatroon en trauma's, doorslaggevend bij het tot expressie komen van deze genen.
Het slankheidsideaal bestaat al sinds de jaren zestig, maar toen hadden meisjes slechts enkele voorbeelden aan wie ze zich konden meten, zoals Barbie en het fotomodel Twiggy. Verder vergeleken ze zichzelf met gewone meisjes uit de buurt.
Tegenwoordig echter worden meiden door de media overspoeld met beelden van mooie vrouwen in wie is gesneden en geplakt, op wie de visagist zich enthousiast heeft uitgeleefd en bij wie via manipulatie het beeld nog verder is vervolmaakt. Daar kun je als pukkelige, onzekere puber natuurlijk nooit tegenop.
Meisjes bouwen hun identiteit als vrouw-in-wording op door zich te spiegelen aan elkaar. Allemaal halen ze hun schoonheidsideaal uit de valse beelden van de media, waar ze uitgebreid met elkaar over praten. Ze staan uren voor de spiegel om te bestuderen wat er in dat starre beeld allemaal niet klopt, en zien nooit hoe mooi en sprankelend ze zijn als ze levendig met elkaar in de weer zijn.
Door hun ontluikende seksualiteit richten zij zich schoorvoetend of uitdagend op jongens. Die houden echter helemaal niet zo van magere meisjes. Het zijn dus niet de mannen in hun omgeving die hun het slanke schoonheidsideaal opleggen. Dat doen de elkaar beconcurrerende meiden zélf; zonder te beseffen dat zij de oude onderdrukking door de man hebben verruild voor een nieuwe onderdrukking door de media.
Uit een recent onderzoek van TNO blijkt dat tachtig procent van de Nederlandse meisjes van dertien tot achttien jaar aan de lijn doet en dat vijftig procent dit zelfs ongezond doet. Dat wil zeggen: ze slaan maaltijden over, nemen dieetdranken of dieetpillen. Deze meisjes kunnen een normaal of zelfs een ondergewicht hebben, maar het gaat vooral om meisjes met overgewicht. Zij vormen de meest zorgelijke groep, omdat ze zich eerst volstoppen met snoep, waardoor ze ongezond dik worden, waarna ze als reactie hierop gezonde maaltijden overslaan. Hoewel het aantal meiden met anorexia en boulimia slechts een fractie is van het aantal lijnende meisjes, kun je toch stellen dat degenen met een eetstoornis grotendeels uit deze groep afkomstig zijn. Ongezond lijnende meisjes hebben namelijk een achttien keer zo grote kans op een eetstoornis.
Zorgelijk is ook dat anorexia op steeds jongere leeftijd lijkt voor te komen, hoewel dit er ook op kan duiden dat ouders eerder hulp zoeken.
Dat eetstoornissen uitgelokt worden door de omgeving blijkt ook uit het gegeven dat een groot aantal anorexiapatiënten ooit slachtoffer is geweest van seksueel geweld; 30 procent maar liefst.
Zo ook mijn cliënte Vera. Ze was in haar jeugd door twee broers misbruikt en ontwikkelde vanaf haar dertiende jaar anorexia. Ze verdroeg het niet dat ze borsten kreeg en wilde haar als 'vies' beleefde lichaam zo klein mogelijk maken. Een plezierige bijkomstigheid van het vermageren was dat daardoor haar menstruaties waren gestopt. Ze had een gestoord lichaamsbeeld: ook toen ze graatmager was, vond ze nog dat ze een buikje had.
Bij mijn cliënte Karin werkte het net andersom. Zij ontwikkelde na misbruik door een pleegbroer een 'eetbuistoornis' (boulimia zonder braken en zonder gebruik van laxantia) en leed aan obesitas. Ze had haar pijn begraven in het vet om het minder te hoeven voelen. Verder beschermde de lelijke stootbumper die ze om zich heen had gegeten haar tegen verholen blikken van mannen.
Bij eetstoornissen is er sprake van ontregeling van het honger- en verzadigingssysteem, dat zich bevindt in de hypothalamus in de hersenen. Dit centrum verzamelt informatie uit het hele lichaam en uit de omringende hersenstructuren. Zo geeft na voedselinname het maagdarmkanaal een seintje naar de hypothalamus. Ook informatie over de energie- en hormoonhuishouding uit het bloed en het hersenvocht komt hier terecht. Daarnaast speelt leptine, een door vetcellen geproduceerd stofje, een belangrijke regelfunctie. De hypothalamus integreert al deze informatiestromen en trekt hier conclusies uit. Vervolgens coördineert hij via een subtiel feedbacksysteem verschillende hormoon-assen (een hormoon-as is een samenwerkingsverband tussen een neurologisch centrum en een of meer klieren). Enkele hiervan zijn gekoppeld aan de biologische klok en aan ons eetpatroon.
Nu is ons eetgedrag de laatste decennia fors veranderd. Aten we in de jaren zestig nog bijna alle maaltijden gemeenschappelijk aan tafel en bestond er nog nauwelijks zoiets als een 'tussendoortje', tegenwoordig eten we op zijn hoogst één maaltijd per dag met elkaar aan tafel en worden de meeste calorieën uit snacks en fastfood betrokken. Een beetje trek kan onmiddellijk worden gehonoreerd, want snacks zijn overal te krijgen, ook in de schoolkantine. Met een dergelijk eetpatroon verleert de puber het verschil tussen trek en honger. Als ze dan ook nog eens zonder ontbijt naar school gaat en om tien uur 's avonds de koelkast plundert, dan kun je er gif op innemen dat ze haar honger- en verzadigingssysteem in de war schopt. Dit legt dan weer de basis voor een eetstoornis.
Verder is dit ongezonde eetpatroon er verantwoordelijk voor dat – ondanks al dat lijnen – het percentage dikke meisjes in twintig jaar tijd van 8 naar 16 procent is gestegen.


Bij het zien van deze dikke meisjes doen lijnende meisjes er nog eens een schepje bovenop, of eigenlijk weer een schepje af.

Je kunt stellen dat dikke meisjes als negatief voorbeeld werken.
Tegenwoordig zijn er nieuwe methodieken bij het aanleren van een goed eetpatroon. Met de Mandometer-methode leren jongeren met behulp van een gecomputeriseerde weegschaal in een goed tempo te eten. Jongeren met anorexia eten namelijk te langzaam, terwijl er bij boulimia juist te snel wordt gegeten. Verder leren ze weer hun gevoel van verzadiging te herkennen. Met deze methode wordt een genezingspercentage van 75 procent gehaald.
Bij de therapie van de anorectische Vera heb ik een driesporenbeleid gevolgd. Om te beginnen heb ik haar een SSRI (antidepressivum) voorgeschreven. Dit heeft niet alleen een positief effect op anorexia, maar beschermt ook tegen terugval. Ook het aanleren van een regelmatig eetpatroon met gecontroleerde doses bleek goed te werken. Verder heb ik haar, in verband met de incest, een traumabehandeling gegeven. Vera leerde uiteindelijk de pijn onder ogen te zien en ermee om te gaan. Als laatste hebben we middels cognitieve gedragsmethodieken aan haar gestoorde lichaamsbeeld gewerkt. Het gaat nu goed met haar. Het enige dat ze van de anorexia heeft overgehouden, is dat ze bij alles wat ze eet nog weet hoeveel calorieën erin zitten.
Ook de mollige Karin reageerde goed op de traumabehandeling en de dieetadviezen. Bij haar heb ik met name aandacht besteed aan haar minderwaardigheidscomplex.
Met Lisa is het helaas slecht afgelopen. Ze heeft veertien jaar lang verschillende behandelingen van diverse therapeuten gekregen: niets mocht baten. Haar ziel is uiteindelijk – geheel volgens haar wens – haar vederlichte lichaam ontstegen. Mij met de prangende vraag achterlatend, wat ik nog meer had kunnen doen en of het ook geholpen zou hebben als ze al vanaf haar tiende jaar in therapie was gegaan.
Onderzoekers die het ontstaan van eetstoornissen louter terugvoeren op genetische gronden, wijzen erop dat er nauwelijks anorexia voorkomt in delen van Azië die aan het verwesteren zijn en waar het slankheidsideaal óók zijn intrede heeft gedaan. Nu kunnen per etnische groep de frequenties van gen-paren verschillen, waardoor het mogelijk is dat deze bevolkingsgroep genetisch minder gevoelig is voor eetstoornissen. Maar wat niet onderschat mag worden, is de invloed van het traditionele gezin in die gebieden. De familieband is er allesbepalend en maaltijden worden gemeenschappelijk genuttigd. Het eetpatroon is regelmatig en gedisciplineerd, zodat eetstoornissen nauwelijks kans krijgen tot ontwikkeling te komen. Het prille slankheidsideaal kan hier nog lang niet tegenop.
Het Aziatische voorbeeld wijst ook de weg naar preventie, namelijk het weer op gezette tijden gemeenschappelijk aan tafel eten. Daarnaast is het relativeren van uiterlijke schoonheid belangrijk. Wanneer het meisje liefdevol wordt gespiegeld door ouders, vrienden en familie zullen deze warme beelden het uiteindelijk winnen van de valse uit de media.
Op scholen kan er voorlichting gegeven worden over het risico van eetstoornissen. Verder kan er aandacht worden besteed aan psycho-educatie, door thema's te behandelen als 'hoe voel ik me in de groep?', 'wat is groepsdruk?' en 'waar ben ik goed in?'
Het meisje moet gaan voelen dat ze mag zijn wie ze is, en dat ze haar eigen, onafhankelijke koers mag varen in de wereld.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.