Categoriearchief: poëzie

wiegen

wiegen

ze ligt voor het raam:
de vrouw bij wie de blinden van haar ogen scheurden
en weer ziet als een kind
hoe pluimen wiegen op de winterwind
als slingers van het lage licht.

de pendule houdt zijn adem in de stilte draagt gewicht

als plots de dirigent met wolken zwaait
dat haar oren knappen en zij bidt om niet knakken
nu de maan weg geschilderd is en het oordeel mild
mag zijn als zij boven komt om te zingen
en te fietsen.

haar fiets staat nog in de schuur.

soms is het goed je huid en ogen maar te sluiten
en te wachten tot het overwaait, niets te verwachten:
hoop oogst wat hij belooft op zijn hoogst
na een onbekende slag van de klok.

die nacht voert een bode de vrouw met zich mee
en brengt haar na afgelegen dromen
met de zon naar haar grond.

ze probeert haar ogen
elke morgen wimper voor wimper tegen het licht.

de pluimen wijzen ongeknakt naar boven.

het is stil
doodstil na de storm.
de vrouw wiegt en weegt haar lot:
zal ze haar pillen slikken?

getourmenteerd

getourmenteerd

ik
ik weet
ik weet niet
ik weet niet hoe
ik weet niet hoe ik
ik weet niet hoe ik verder
ik weet niet hoe ik verder moet.

moet ik wel verder?
van wie moet ik verder?
liefde voor mij
liefde voor hen
is dat genoeg?

twijfelt mijn nature of nurture?
ik lees het oudste verhaal over mij
en schil de appel die geen appel is
in eindeloze spiralen
overweeg de mythe van de vruchtbare
of schuldige slang.

ik
ik kan
ik kan niet
ik kan niet verder.
ik
ik ga
ik ga verder:

schaduw
schaduw is
schaduw is verborgen
schaduw is verborgen licht.

elke ochtend: en toen was er licht
in mijn straat hoor ik taal
ga ik verder.

Spinnenliefde

spinnenliefde

moeders sterven nooit alleen die tijd dat ene uur –
je zit vast in haar onsterfelijke web
tot jij uit duizend draden van haar ontwart.

de mijne stikte haar regels op jurken, rokken,
ondergoed. tijdens neuriën vogelzoet
was ik bijna opgevreten,

dus mat ik in omhelzingen scherp onze kloof
met haar meetlint liet ik mijn liefde luchten,
hakkelende liefde, bijna een gevecht.

jaren na haar dood zat zij plots op mijn bank.
niet op mijn stoel.
nu ja, plots …

eerst sloop ik een aanloopje, knipte haar stiksel weg,
schudde mijn hoofd hard voor een eigen kijk,
proefde het zoete bitter zelf te baren en peilde

haar tijdgeest: toen moeders nog verplicht
in hun kroost en het aanrecht woonden.

in dromen kwam ik haar steeds meer tegen,
maar ik riskeerde niets zonder wapen:
haar centimeter.

ik begon ons af te pellen,
laag voor laag te gaan
tot waar geen woorden leven.

tijdens mijn tocht langs bergen en ravijnen geurde
zij zo diep naar ma de lief dat ik de tijd aanbrak
en zonder zekering

sprong.

ik durfde omhelzen, versmelten zonder
op te lossen. eindelijk kon ik haar verteren,
raakte ik volgroeid.

de draden lieten los en ze verdween
tussen fonkelende nevels aan de hemel:
lichtjaren weg nooit zo dichtbij.

FOTOSYNTHESE

FOTOSYNTHESE

je wílt wel recht in de aarde groeien, het is de storm
die je scheef trok dat je van slachtoffer pleger raakt,
je slachtoffer dit herhaalt tot in het derde geslacht.
ook ligt het niet aan je takken, die willen naar het licht,
je zult dus na snoeien altijd terugslaan met knoesten,
je bent een volk van tand om tand. jij kunt niet diep
wortelen, dat ligt aan de grond die toegeeft aan exoten.
het is niet jouw schuld dat honger drie generaties klein
houdt, jij weet niets van je druk op droogte in hun land.
je laat de pijn vertakken in je genen, huizen, steden
in het patroon van stormen, waait geheel buiten je om.
je rouwt om aangevreten bladeren door motten uit het
zuiden dat je geen vruchten geven kan, maar geniet
blind van zingende vogels op kale takken in warme

winters. na jou de vloed van ijs dat scheurt en smelt.

je mond puilt uit van vrij. maar vrij zijn is fotosynthese:
jezelf zien, je blik op andere bomen, de ander
is je spiegel, jij bent de ander. dan kunnen jaarringen
en wortels aan scheve zijde wassen dat je recht komt
staan, je rechtvaardigheid rijst. tijd, ruimte, ogen, oren
wij zijn niet gescheiden in een golf van bladeren
die dichten op de wind. zo doven pijnen in drie
generaties, word je een mens, een familie, een volk
uit goed hout.

Eerste groet

Eerste groet

Klokkende warmte in de klankschaal,
wie telt de slagen wie kent het uur?
Voeten als vliezen schoppen haar horizon
zoeken voltooiing.

Een bewogen hand beweegt haar sfeer,
ze drijft er heen, wacht de groet,
geeft de groet,
hoort verre tonen taal een vers.

Eeuwenoud maar telkens pril roert de aarde
raakt de hemel, siddert het uur de schaal
tot kanon, perst in zijn schootsgang

schollen breekbare schedel samen,
verfrommelt God als proef het gezicht.
Ze worstelt dit begin van leven, alle leven,
geen weg terug,

dit is haar weg.

Dra deeltjes licht de lucht laat dansen
knikt hard de slijmige schedel op haar Atlas,
draaien ogen zoeken rond
zonder mal of maat niet wetend wat,

schreeuwt haar adem het huis en zijn mensen
open, zweeft zij gevouwen als pakket
vettig en koud als vis door wijde ijlte
op gedempte klanken
geland.

De groet van de bekende hand
over haar broze schedelnaad komt
uit een ver zonnestelsel
nakend nabij.

lijken

lijken

mijn facebook kent je niet, maar als ik aan kom lopen
rood op de konen haast stiekem als eerbare dief
door een kier in je onweer mag kijken, kan ik mezelf lijken:
me spiegelen in druppels uit starende ogen
die gelaten je barstende bast afglijden.

je bent een helse magneet. om mezelf te dekken
zet ik je achter tralies: smeedwerk van symptomen
en syndromen met scheuten statistiek die je wortels
geleerd begraven dat ik je diepgang minder zie.
als je met knoesten slaat mag ik je zelfs isoleren, dus

kijk uit al is je dag een berg smeek ik je: geef niet op.
niet voor jezelf, je dochters, zonen, lief, moeder, vader,
ook niet voor mij. breek in de herfst de loepen uit je ogen
niet in duizend druppels tussen krakende bladeren
die mijn kant opwaaien dat ik mezelf duizend keer zie.

lijken is niet zijn, is niet scherp zien. wie zei je dat ik
mij scherp wil zien? klamp je vast aan iedere stengel,
elke knop van bloem of blad want je wilt niet dood,
je kunt alleen niet leven. dus luister: elke zielzoeker
wil zijn vindingen wanen en zijn kerkhof klein:

in elke dode verliest hij zijn mooiste blad.

Gemankeerde minnares

gemankeerde minnares

mijn dij lokt je hand jouw hand zoekt mijn dij,
schuiven en schuren een boog om mijn pijn.
de roos stroomt gejaagd in een enge vallei:
elke drang van jouw draden graaft een ravijn.

herinneringen druppelen teer en zeer:
gekriebel van sprieten vingers zo zacht,
sappen uit huiden geuren het gras.
dan knagen violen dit komt nooit weer.

mijn stempel gesloten toch bezweer ik de band,
mijn lief helpt zichzelf met eigen vrije hand,
blijft over de troost van afdrukken in het zand,

van dijken om dromen in nieuw gewonnen land.
kom dichtbij dichterbij je fantasie raakt mijn dij,
licht is illusie licht speelt nooit voorbij.

Hoe oud

HOE OUD

De vrouw mijmerde bij maanlicht over haar geleefde
leven en of dit toereikend was om te gaan.
Dat deed ze ook overdag, maar dan vervaagde
het licht de scherpe lijnen in haar vraag.

Door heftige stormen was zij mensen verloren
waar zij zich aan vast had gehouden. Niet om op hen
te leunen, maar om haar evenwicht te houden.
Ook knarsten haar knokkels door langdurige droogte.
Maar was dat genoeg?

Ze besloot te wachten tot de zintuigen aan haar buitenkant
zouden verstoffen en de poort tot haar geestesoog
open zou gaan,

te wachten tot de lichtgevoelige cellen van haar binnenkant
zouden zien hoe talrijke vogels op het eeuwige ritme van eb
en vloed in golven aan komen zwermen

om zich over een oude merrie te ontfermen
in haar laatste rui; haar versleten paardenharen als best
te gebruiken voor hun nieuwe nest.

Dan kon ze geruisloos haar hemd zonder zakken
pakken en wegvliegen.

Krassen

krassen

1.

je armen zo hoog met blauw geborduurde
pofmouwen weren af.
je schouders zo smal in scherpe schokjes
verstopt. wie kleedde je vanmorgen?

je ogen durven nauwelijks: fragiele
schimmen van bewegend riet.
je schuift onrustig op mijn stoel, je gouden
laarsjes raken de grond net niet,

je benen zo dun in rode maillots schommelen
driftig heen en weer:
wil je weg?

wees gerust: ik zal je niet aanraken,
voorlopig niet, je bent hier veilig.
dit zul je niet geloven, voorlopig niet.

2.

je vertrouwen fladderde met vleermuisvleugels weg,
je oren – gespitst op je koppie met staarten
en strikken gegroeid – horen honderd deuren kraken,
je mopsneus ruikt duizend gevaren,

als ik omzichtig wegkijk, laten jouw vergrootglazen
heimelijk mijn beeld ontploffen. ben ik
een reus met zevenmijlslaarzen,

een heks met waanzinnig lange nagels?
aan mijn muur hangt een schilderij
van een cypers katje,

jij ziet een tijger.

3.

je wilt wel tekenen:
je potlood schraapt scherp een middeleeuwse
burcht met puntige kantelen, muren zo dik en hoog
dat jij geen zonlicht ziet,

met grachten zo breed en diep
dat je niet kunt ontsnappen.
in die vesting wacht je kinderziel
ineengedoken op het onbetekenen.

je houdt van kleuren: geel, blauw, rood, paars,
groen in krassen naast en door elkaar,
dan, onverwacht een meteoriet: veel zwart,

zwart, zwart, zwart, je maakt je burcht inktzwart,
de grafieten punt breekt af, je rilt, ik mag je nog niet
troosten: geduld, geduld, geduld.

4.

je wilt je tekening verscheuren,
ik vraag of je de gom durft te gebruiken,
je kijkt me net iets langer aan,
ik vang een glimp van jou in mijn fijnste net:

zingende watervallen, dansende vlinders,
vogels die dichten tijdens hun vlucht:
jouw inktzwarte burcht
is een engelbewaarder die zindert.

je gumt en gumt en gumt of (omdat)
je leven ervan afhangt. je staat mij toe het vel
aan één kant met beide handen te fixeren.

jijzelf gebruikt hiervoor je linker en veegt
met je rechter knuist de muren vurig ver weg,
ongenadig.

de muren worden slanker zonder scheuren
van dun grijs. hier doorheen kan misschien wel
een zonnestraal je gebroken punt passeren.

5.

klaar! hardop voor het eerst.
ik vraag of je nog een keer terugkomt.
de roze strik die tijdens je noeste arbeid
losviel slingert op en neer.

je geeft me uit jezelf een klam handje,
de vleermuis houdt zijn adem in.

Geliefde Gek

Geliefde Gek

Gek ik heb je nodig: als jij het bent, ben ik het niet,
maar blijf in de schaduw van je boom licht ver van mij:
ik vrees genadeloos mezelf te zien

Spiegeltje spiegeltje van jouw hand,
wie is de zotste van het land?
Mijn facebookfoto weet het niet:
ik ben daar slechts een schijnsel

Jij ontwijkt geen hoek in de kroeg van het gemoed
zodat ik zot van je ben, ik koos met liefde jou als métier:
dat ik alle dagen bij je kan zijn
Door aan jouw kant van de boom in je onweer te kijken
hoop ik ook mezelf te lijken

Maar ik houd je verborgen achter mijn tralies:
siersmeedwerk van symptomen en syndromen
met jonge scheuten statistiek,
ik voel mij geborgen door deze bomen
die wortels geleerd begraven

Jouw spiegel in duizend stukken gebroken
tussen rode en gele gelobde bladeren
dat ik mezelf duizend keer zie

waarvoor dank
gelukkig onaanzienlijk

Maar nu ik je toch spreek
moet je me eens vertellen waarom in
de parken waar jouw tehuizen verkeren
de perken en bomen altijd weelderig floreren,

of er vruchtbare grond
van begraafplaatsen voor werd verkregen,
Is jouw offer echt oud als het menselijk beven?

Carla Rus, december 2017

Pauwenvrouw

pauwenvrouw

je sleept en sneeuwt trots je veren aan mij, verblind
leg ik mij neer in je storm tot onze adem raakt.
tot zover rijmen de natuurwetten.

iets naast me begint hevig te regenen,
je hand dwaalt in een regenboog over mij heen:
chatten is blind wegvliegen en een zombie achterlaten.
ik pieker of mijn mascara of jij uitloopt naar een ander lief
misschien wel vier.

binnen ben ik een windvlaag die naar rozen ruikt, buiten
mag ik niet versieren, draag ik lange kleren, geen veren,
alleen ogen: je vertrouwt je maten niet, kent jezelf.

ook mag ik als vrouwenpauw mijn lief niet kiezen,
dat doet de familie:
die warme gevangenis betegeld met regels.
dit rijmt niet met de natuurwetten, voor geen zier.

hoort mijn lief, het omweert in de verte:
de veren krijgen ogen.

Gebed van een ongelovige Thomas

Gebed van een ongelovige Thomas

Wanneer je bent als duizend draden licht
een veld met stippen paars en wit
violieren in mijn ogen spelen
wil ik je geloven

Maar als u rechter zonder moeder bent
kleuren uw wateren koud en blauw
in zonnestelsels zonder herberg

Wanneer je bent als warme nevel
die streelt van mens tot mens tot kever
potvis paard en poes wil ik je geloven
Wanneer je bent als dartelende vlinders
die onze geuren als lavendel speuren
wil ik aan je ruiken

Maar als u na schepping van uw driften
ons rubriceert in hel en hemel
koersen we onder het billboard
JEZUS REDT
schel schietend onze snelweg

Wanneer je bent als zeventig fonteinen
die mijn eeuwenlange loden lijnen
wassen wil ik je geloven
Wanneer ik niet alleen met pijnen
mijn kinderen mag baren
maar zowel genieten van mijn snaren
ook

Maar als u één kind uitverkiest in uw woestijn
met keppels kruizen sluiers wielen vlagt
worden onder het luid geschal
ALLAH IS GROOT
hoofden afgehakt

Geloof me:
wanneer je ons klein als mieren houdt
vergeet je dat wijzelf na slikken van slang
en vrucht je paradijs verruilden voor het zout
waarmee we goed van kwaad kunnen scheiden
toon je mij slechts een sleets tapijt

Niet dat ik je niet begrijp
Ook ik moet mijn kinderen loslaten
hun eigen fouten laten snoeien
hen overdragen aan de sterren tot
ze misschien in de hemel groeien
dat iets wat ik heb gezaaid
geoogst wordt op tijdstip X
licht na mijn dood
of niks

Wanneer je bent als vluchten vogels
die mij met zwermen tere vleugels traag
het grote water overdragen
verblindt jouw aangezicht mij niet
omdat mijn ziel
je kent

Dan ben je een zee aan piano fluiten snaren
ben je het zachte vuur van gouden draden
waarmee je fijne huiden samenweeft
Overweeg ik zonder zeker weten
aan het eind van alle dingen
een enkele reis op je tapijt
dat ik een vonk ben
van jou

Carla Rus, april 2006

Ons weggetje

Ons weggetje

mijn schaduw strijkt met kortgeknipte nagel
over het paradijs, prikt gretig in Adams navel:
– kijk, het oude weggetje voor bloed en brood

– dat is er bijgetekend. voor kinderen

– dan is Adam niet de eerste mens

– (je hebt een kunstgebit. vroeger trokken ze al je goeie tanden,
dat waren nieuwe inzichten)

jouw streng gesteven schort die mij met Persilwit
wil verblinden draait zijn strak gekruiste banden in mijn blik.
achterwaarts grijpt jouw waarheid mij bij de keel:
– Adam is de eerste mens, geschapen naar Gods beeld

ik roep tegen jouw schoon weglopende strik:
– dan heeft God ook een navel en een heuse moeder.
niet Maria. die is alleen van het kind

je maar ketst tegen de kolenkachel en stoot via jouw
kwetsbare moederheupen mijn gehoorgangen binnen.
je kind toch bereikt me via de klok op de schouw
en golft over je stralende band naar me toe

Ik vraag me af of ik je pijn doe

maar ik weet met heel mijn kleine leven
dat jij de springplank wil zijn tot mijn grote leven:
– dat van die rib geloof ik lekker ook niet

je laat me niet los.
vanuit de hemel zit ik vast aan ons weggetje
zo lang als het oudste epos.
bij de juiste afslag heb je met een engel die ik vaag ken
een wegwijzer geplant zo groot als de Melkweg

Heksenboter

HEKSENBOTER

wil ik dit wel weten?
ja ik wil alles weten, alles begrijpen:
hoe corrosie ontstaat, donderkoppen op elkaar knallen
en niet meer in Wodan geloven

mijn hersencellen
begeren die glibberige gele heksenboter:
lichtorkest zonder Dirigent,
te begrijpen.
ik ben een grote meid

zo vrij wil ik zijn dat ik uit mezelf
naar havermout toegroei

en als ik door paden in vreemde pakhuizen zwerf
die ik herken van vorige niet afgemaakte dromen
met meer dan menshoge blikken selfies,
wil ik de koektrommels uitpakken voor antwoorden.
bij mij geen verlangen te verdwalen
maar honger te vinden

maar wil ik weten
of in experimenten kwetsbare koppen
van aaibare hamsters op elkaar knallen:
in molens worden vermalen om signaalstoffen
van overleden angst te wegen en te meten
opdat ik snap wie ik ben?

Steen der wijzen

Steen der wijzen

Er is niets dat zo sterk bindt als verdriet,
of het moet liefde zijn
Maar die kan na de eerste sprint
alleen voortkuieren als verdriet om de hoek woont

Krijgt verdriet een straatverbod
dan verliest liefde zijn sleutel en breekt
misschien de ware op

Dus vraag bij liefde verdriet
op de thee (met bijvoorbeeld speculaasjes),
de koffie (zo gewenst met chocola),
de borrel (met muzieknootjes),
de maaltijd (met minstens drie diepgangen) en
verover elke lekkernij met aandacht

Het mag een lat blijven
maar wel van echt hout

Pijnboom

PIJNBOOM

Pijn onderscheiden van wat geen pijn is maar
zingende herinneringen die
in zwermen lentes
vervlogen zijn

Pijn onderscheiden van wat geen pijn is maar
haar spiegel die in
duizend beelden breekt tussen
blozende bladeren

Heeft iemand haar ooit beloofd dat haar vuur
niets zou verbranden:
haar schone lijf tot sintels zou sissen,
haar rijke rokken verscheuren,
haar arme ziel kraken?

Haar knisperende pad kronkelt
haar bestemming ongewis.
de meidoorn schetst haar welwillend voor
hoe hij wordt gesnoeid
opdat hij groeit

Merels jubelen tussen haar roze bloesems
net zo bedwelmend als duizend lentes verstreken
hun liefdeslied

Durft zij te horen dat haar eigen geurende golf
haar eigen ooit sappige vlees vervangen
wordt door een naderende vloed
in de eeuwige rimpeling
van één enkele zee:
één paringsdans?

Zij is bijzonder houdt ze zich voor, ze kàn het:
onderscheid maken.
de nachtegaal
lokt

 

 

 

Bijna evenbeeld

BIJNA EVENBEELD

Heeft hij spijt?
Spijt dat hij mensen schiep
ter verdrijving van zijn eenzaamheid?

Met verkrampte nek op zijn troon gezeten
waagt hij te waken over evenbeelden
uitdijend in tal van zucht:
beelden die rücksichslos in koppen hakken,
roetdeeltjes trekken in zijn klare lucht.
Heeft hij spijt?

Had hij mensen maar uit stukjes hemel gemaakt,
een zonnetje boven de wei getekend,
en niet uit stukken koud heelal
van ver na de oerknal
zodat entropie zijn kudde wettig
uitéén kon drijven
in vreemden en geweld

Is het hem daarom te doen:
om zijn zelf gevonden woord barmhartigheid?
Schiep hij hen net even anders dan zijn evenbeeld
opdat ze zouden lijden
en hij door geboorte in het vlees kon mede lijden
op zoek naar waarheid?

Wist hij waaraan hij begon toen hij na alle zeeën, meren,
landen in miljarden kleuren, algen, vissen, beren,
apen in vele soorten, het mensenkind ontwierp?
Wist hij dat het van die boom zou snoepen
waardoor zijn hoofd ging groeien:
goed en kwaad kon wegen
zonder veel geweten?
Stuurde hij het daarom uit zijn paradijs?
Heeft hij spijt?

Mensen vragen in hun schiet- en andere gebeden
troost.
Wordt het niet eens tijd hèm te troosten?

 

 

 

BRIEFJE VOOR DE WEDUWE

Briefje voor de weduwe

Je vleugels zijn nog nat van hagel.
hun putjes schroeven jou in de nachten

tussen veren vol overleden lust
vast aan het ijzeren geraamte. verveloze
nagels schrapen in het koude laken,
arthrotische gewrichten krommen zich
vergeefs dicht

Wordt het dag, dan knijpen je ogen
tegen kleuren die een hels kabaal slaan
op bekkens vol gegrift geheugen

Jij engel zorgde voor zijn krimpen en kruipen,
droeg de lichtlantaarn in zijn duistere ruimte,
viel diep met hem mee in Wonderland

maar dan zonder wonderen

Ontkleed van alle hemden heeft hij vanaf zijn
zwoegende stoomboot naar je gezwaaid.
hij verzocht de grote overtocht, zei hij,
zag de lichte ruimte al van ver.
de deeltjes die uit zijn ogen straalden
prikten in de jouwe

Jullie kind en jij lagen aan zijn
magere weerskanten als een koor:
ga maar,
vierden zijn navelstreng

Nu lig je alleen in jullie spijkerbed

Maar een engel is nooit zonder moederziel,
al is haar schare in het duister
slecht zichtbaar,
slechts voelbaar

Dus vlieg op jouw tijd met je vleugels zo moe
naar ons toe.
wij kennen zijn beelden, woorden, stiltes al eeuwen,
wachten opengespreid op je krassen

Carla, 25 mei 2015

NAAM MAKEN

Naam maken

Gesleurd en geslepen in gletsjers,
wind en water: stenen zijn het oudst.
Wie zijn wij in hun naam?

Voordat wij beelden vormden
botsten schollen op breuklijnen,
schiepen zij diep in de hitte het witte goud.
Niet voor ons.
Niet per se.

Toch wacht in het brok marmer
uit de bergen van Carrara – nog voor
beitel, vijl en schuurpapier,
een breekbaar beeld.

De mens hakt als een god met
betoomde kracht dat hij de natuur
niet verkracht, zijn baring niet breekt

maar spreekt: hem verstaat. Hij vijlt
en polijst van grof naar verfijnd, van
groeven naar poeder dat kleeft in zijn

haren tot hij het schuren met water
verzacht, van haar luide huid
grijze parels glijden en zij
gaat glanzen als glas.

Vingers betasten de krassen
van zijn naam: zijn kleine verhaal
in haar grote geschiedenis.

Veilig openbaar

Veilig openbaar

naakt loopt hij:
naakt zonder hemd, zonder veters,
ziel onder zijn schaamte.
een vriend van de hangplek, een broer, een afgesneden moeder
zouden zomaar zijn ziel zonder boord kunnen zien, diep hier
door heen
kunnen raken. Dat deden zij in de jaren dat zijn haren
door kappers werden geknipt,
in dicht struikgewas en
sloten vol kroos.

hij zoekt in de straten altijd naar lantarenpalen,
ligt niet zoals anderen onder bruggen.
iedereen kent alleen zijn lompen,
zijn ziel verborgen
voor heen.

HOE OUD

HOE OUD

De vrouw vroeg zich af hoe oud ze wilde worden
Ze besloot te wachten tot haar zintuigen zouden verstoffen
en de poort tot haar geestesoog
open zou gaan,

te wachten tot haar lichtgevoelige cellen op het ritme van de zee en de maan
zouden kunnen zien hoe talrijke vogels aan komen zwermen
om zich over een oude merrie te ontfermen
in de rui: haar versleten paardenharen als best
te gebruiken voor hun nieuwe nest

Dan zou ze rustig kunnen gaan

Carla Rus, januari 2017

WOORDEN

WOORDEN

Door het regenwoud geregen klaagt
de uil in een kruin lange klamme nachten
ijl van toon de dood aan

Onder een dak in de stad van vrede en recht klaagt
de uil in torenhoge stapels stukken
mensen die het klamme hout kappen aan

Kappende mensen klappen en klappen
of een uil wel wijs is en
klappen voor zichzelf als wijzer

Als hun toren van Babel omver wordt geblazen
rollen mensenwoorden kakelend de trappen af:
struikelen over elkaar
als in een drukke winkelstraat

De uil vliegt moegeroepen in de vleugels
van de nachtelijk aangeklaagde dood:
de gum, deleteknop en
versnipperaar:

Schrap, schrapte, geschrapt
wit, witter, gewit
stil, stiller, gestild
leeg, leger
(strijdbijl begraven)

Rust

HOGE GEZANT

Hoge gezant

ze ligt voor het raam:
de vrouw van wie de blinden van haar ogen zijn gevallen,
die weer ziet als een kind
hoe de pluimen wiegen op de winterwind
als slingers van het lage licht.

de pendule houdt zijn adem in,
de stilte draagt gewicht.

plots zwaait de dirigent zijn woeste wolken tot elkaar
waardoor haar oren knappen
en zij vurig bidt niet te hoeven knakken nu de aarde
maanloos is en het oordeel mild mag zijn als zij boven komt om te zingen
en te fietsen.
haar fiets staat nog in de schuur.

soms is het goed je huid en ogen maar te sluiten
en te wachten tot het overwaait.
niets te verwachten: hoop oogst op zijn hoogst
wat hij belooft
na een volkomen onbekende slag
van de klok.

die nacht nemen de engelen haar zwaarte weg
maar als de zon haar wakker licht durft zij niet te kijken.
het is opnieuw stil, doodstil.
na de storm.

ze durft

dan juicht en springt het kind in haar:
de fiere pluimen wijzen ongeknakt naar boven.
voor Pampus liggend wiegt en weegt zij haar beschikte lot:
stoer slikt zij haar pil

SPEELGOEDHOND

SPEELGOEDHOND

Als de spiegel breekt in mist,
dagen aan flarden worden gegist,
Wie zet toch die lampenkap op zijn kop? –
licht niet langer op het laatste nieuws schijnt,
steeds dieper de aarde in verdwijnt

Nee, zij niet, zoiets zou zij nooit doen,
dat doen alleen mensen die de weg kwijt zijn –
zij poetst en poetst het katoen

van de lampenkap kapot,
poetst haar tanden met de haarborstel
haar haren met haar tandenborstel,
geeft hem uit duizenden haar zoen

Wat moet de gebogen man doen
nu de ratio zijn burcht is maar het argument
gestorven,
zij schaterlacht om een speelgoedhond
met een sleuteltje aan zijn kont
om hem op te winden

Hij droomt in haar hun afgelopen weg: in woestijnen
op golvende kamelen gereden,
na stijle bergtochten naakt in meren gelegen,
haar vruchtbare bekken moegestreden:
voorover gekanteld als een offer aan
vreemde gezichten aan de muur

Hij ruikt tussen haar plooien en rimpels een zweem
van hen twee van voor het pleistoceen:
haar kieuwbogen
van toen zij nog van de zee waren,
haar staartbeen
waarmee zij in traverse langs rotsen zwierden

Marmor, Stein und Eisen bricht,
alles, alles geht vorbei aber unsere Liebe nicht –
hij veegt de scherven naar het licht
en koopt de hond

WAANZINNIG GROEN

WAANZINNIG GROEN

Zij denkt dat deze zee aan grasgroen gras waarin de madelieven dartelen
en de paardenbloemen zingen van haar is.
Zij heeft geen enkele twijfel dat dit deel van de aarde van haar is,
alleen van haar.
Zij is het immers die zaait, snoeit, harkt en de erfpacht betaalt?

Maar als de zon slaapt is haar paradijs voor het rijk der slakken:
geheel naakt of met een eigen huis.
Waar zouden de naakten slapen?
Zij eten de blaadjes van de bloemen en zijn verkikkerd op haar hosta,
zij raspen en zuigen het ene gat na het andere en ook zij denken
dat dit stuk van de aarde van hen is,
alleen van hen,
terwijl zij slaapt.

Als de maan slaapt zoent het zonlicht de aarde: de gele rozen, blauweregen,
roze hibiscus, witte yucca, fluwelen rus en het grasgroene gras.
Als de maan slaapt denkt de vrouw nog harder dat dit deel van de aarde van haar is,
alleen van haar.
Alsof mussen heggen als heggen kennen.
Alsof vlinders van hekken houden.
Maar laten we haar maar in die waan houden.
Het enige wat ze heeft zijn
groene vingers.

Wijwater

Wijwater

hete stof waait schraal door het arm gemis
van rendement en booming business.
de macht van d’aarde waar jouw wijngaard ligt
pint vast je mazzel, marktwaarde en gezicht.

de jonge druif verlaat wortel en bewind,
vlucht op de zeewind samen met zijn kind,
maar hete stof waait schraal door zijn gemis
en rendement en business zijn ongewis.

zeeën en hekken van hemel hoog ontwerp
scheiden het niet-beloofde land vlijmscherp
van hem: geen mens, slechts voorwerp.
eerst slaaf nu vluchteling op de markt,
zijn bronzen huid door brandstof gemarkt.

1 druif, 2 druiven…, hoeveel passen in één boot?
zij worden met voeten getreden als joden in nood.
de zee kleurt rood als water bij de wijn wat dromen doodt.
hoeveel schepen? 1 schip, 2 schepen…, een hele vloot.

er drijft een beer, een pop en nog wat in het water,
iets om te redden? geen tijd om te kijken, misschien later.
1 druif, 2 druiven…, hoeveel passen in dit wrak?
teveel zielen om te tellen waardoor het schip brak.

witte rovers van de aarde en haar dampkring
zien hen als bedelaars beneden de juiste keerkring,
als mieren zonder ziel; ach, misschien later.
1 mier, 2 mieren…., hoeveel mieren in het water?

eeuwen van roven eist eeuwen van schaamte,
pas dan vormen zij en wij één duur geraamte,
eten we het sappige vruchtvlees van deze aarde
die bomen, beren, mezen, mieren, mensen baarde.

tot zolang waait brand stof door ‘t schraal gemis,
leven we voor meer meer booming business.
mensen op drift zijn als wolken die zwerven
van water naar water waar zij zullen sterven.

eeuwen van roven eist eeuwen van schaamte,
pas dan vormen wij en zij één duur geraamte.
bomen groeien niet tot in de hemel zoals jij beliefde.
het enige offer na zulk grieven is eeuwen lang liefde.

Jan. 2017, Carla Rus

Schuilen

Schuilen

1

haar witte jurk gekant en vol geruis,
de ranke armen open voor een ieder
sluiten alleen hem dicht tot een thuis.
het afscheid maakt hem tot nestvlieder

de vrouw is trots op haar soldaat en zal
elke mail, elk app, elke blog lezen,
vol vertrouwen amper iets te vrezen:
de kans op zijn dood is een klein toeval

zijn vinger roert haar lippen wijd
zijn tong glipt naar binnen vlijt
zich samen met haar sap en dicht

haar donkere holletje een veilig plein
zonder gezicht, gehoor en oh zo klein:
een speelkwartier in ‘t tere licht

2

waar is zijn hart onder ’t zware gewicht?
hij spiedt over het zand in zijn armen
een spuit, zijn aard gebukt onder plicht.
gesluierd smeekt de vrouw om erbarmen

zijn ziel vlucht zijn schutkleuren uit
terwijl zijn hand met ring granaten
gooit naar trommelvliezen. zijn bruid
verdwijnt ver weg zijn zijn maten

automatisch is zijn wapen, automatisch
zijn geest. de dreun bereikt zijn borstvlies,
het vuur grijpt om hem heen

de doden zijn niet van hen, maar van
wie wel? is zij de vrouw van die man
in hun schootsveld: dat stomme toeval?

3

verlof bevrijdt hem uit de hel
even wel waar is zijn ziel gebleven?
zijn hamers timmeren tijdloos schel,
het aambeeld laat zijn muren beven

’s nachts schokt hij overeind,
ziet aan zijn voeteneind als waar
dat opengereten hoofd: dierbaar
voor haar die nooit verdwijnt

schichtig is hij, ziet een spoor van
rode rotjes op straat, kruipt samen
met de hond ver weg van de ramen

schuilen in haar schoot gaat niet
meer. weggekwijnd geen hooglied
voor hem die almaar in ‘t zand spiedt

Carla Rus, Dec. 2016

Mijn lief

Mijn lief

Jij staat altijd achter me
ook als je naast me staat
of tegenover me
Als je tegen me bent
ben je nog voor me
Hoe heb ik je kunnen kiezen?
Ach Neeltje die ik bemin
om haar ene zin:
voor wie ik lief heb
wil ik heten

Carla Rus, Dec. 2016

Wind beweegt mijn tak

Wind beweegt mijn tak

Mijn klein paradijs:
jaren zicht op seizoenen,
elk uur weer anders.

De vijver is klein,
de reiger staat op één poot.
Wacht: de pad springt weg.

Een witte vlinder
vliegt vlug door mijn paradijs,
zoent zachtjes mijn ziel.

Krekels in de nacht,
spinnenweb in de yuka,
het duister streelt zoet.

De rode wingerd
strooit bladeren op mijn pad,
de herfstzon kleurt goud.

Koud en grijs is het,
een winterkoninkje zit
op mijn kale tak.

Bomen tekenen
stil bloedvaten in de lucht;
wind beweegt mijn tak.

Sneeuw valt met pakken,
een tulp schijnt dood. De zon komt:
de tulp blijkt fris rood.

De natuur is klaar
wakker. Bloemen geuren zacht,
de wesp wil steken.

Carla Rus, 2016