Wie luistert naar het kind

Wie luistert naar het kind?

Wat er allemaal misging bij een melding van kindermishandeling

MGv nr 64, pag. 1105 – 1118, december 2009

Een psychiater vermoedt een geval van kindermishandeling. Tot haar schrik nemen de betrokken instanties informatie klakkeloos van elkaar over, of schuiven die terzijde. En niemand luistert naar het kind zelf.

De aanpak van kindermishandeling is een speerpunt van minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin. Bij een casus van kindermishandeling waar ik als psychiater mee geconfronteerd werd via een pleegmoeder, 1 bleken zaken nog ernstig mis te gaan. De casus doorloopt gedurende de laatste anderhalf jaar een groot deel van de jeugdzorgketen; van de jeugdgezondheidsdienst tot Bureau jeugdzorg (BJZ) en van het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) tot de Raad voor de kinderbescherming (RvdK).
De algemene opvatting is dat wanneer jeugdzorg faalt, gebrek aan samenwerking hierbij een grote rol speelt. Ik kom tot een andere conclusie, namelijk dat er ondertussen een door de maatschappij opgelegd krampachtig soort samenwerking is ontstaan, die ten koste gaat van kwaliteit van de zorg. Het blijkt hierdoor namelijk moeilijker om professioneel onafhankelijke standpunten in te nemen. Foutieve diagnoses en tunnelvisies worden klakkeloos van elkaar overgenomen. Dat, plus verregaande juridificering en te gedetailleerde overheidsbemoeienis zijn momenteel de grootste oorzaken van het falen.

Kindermishandeling: 2 volksziekte
Al jaren overlijden in Nederland per jaar vijftig tot tachtig kinderen door toedoen van ouders (Bakker, 2006). Uit onderzoek onder professionals blijkt dat er van de 3,5 miljoen minderjarigen naar schatting 107.200 kinderen worden mishandeld (Van IJzendoorn, 2005). Uit onderzoek onder minderjarigen zelf blijkt het zelfs 20 % te zijn.3 Kindermishandeling is dus een volksziekte (Willems, 2007).
Eind jaren negentig is de Reflectie- en Actiegroep Kindermishandeling (RAAK) opgericht door psychiater Dries van Dantzig. De RAAK aanpak bleek in vier proefregio's succesvol (Hermanns, 2007). In 2007 presenteerde minister Rouvoet het actieplan ‘Kinderen Veilig Thuis’. Deze aanpak is de landelijke uitrol van de Regio-RAAK-methode. Een stuurgroep ziet erop toe dat de actie adequaat verloopt (Stuurgroep Opstelten, 2009).
Maar er zijn meer plannen. Er is ook het Landelijk Actieprogramma Aanpak Kindermishandeling (LAAK) van de MO groep (werkgevers) Jeugdzorg (2006) en het programma ‘Beter Beschermd’ van het Ministerie van Justitie (2004).

Organisatie Jeugdzorg
Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de Jeugdzorg in 2005 (Tweede Kamer, 2004) is het BJZ de toegangspoort voor de gehele jeugdzorg. Huisartsen verwijzen ook rechtstreeks naar de Jeugd-GGZ. BJZ mag vijf gesprekken doen, daarna moet zij doorverwijzen. Verder is het BJZ uitvoerder van jeugdbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering. Ook de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK's) maken onderdeel uit van BJZ. De uitvoering van ’Kinderen Veilig Thuis’ heeft Rouvoet echter toebedacht aan de Centra voor Jeugd en Gezin (Rietveld, 2009).

Lisa (een gefingeerde naam) van acht jaar oud, is het kind van een alleenstaande moeder die tijdens de geboorte van haar kind in een tieneropvanghuis verbleef. Moeder kon de baby niet verzorgen en wilde haar iets aandoen. Moeders onvermogen werd informeel opgelost: zij gaf Lisa van vijf weken oud ter opvoeding aan een tante die het kind als pleegmoeder in haar gezin opnam. Daar kon moeder Lisa altijd bezoeken, maar soms gingen er zo een paar maanden voorbij.
         Wanneer Lisa zeven maanden oud is, verhuist moeder naar een eigen woning, zodat Lisa af en toe een weekendje bij haar op bezoek kan. Het tieneropvanghuis verwijst moeder voor opvoedingsbegeleiding naar BJZ. Moeder zegt dat af. Geregeld krijgt pleegmoeder aanwijzingen dat moeder Lisa hard aanpakt: dan staan na zo'n weekend nagelafdrukken in haar wangen. Andere familieleden zien moeder in beschonken toestand Lisa heftig slaan. Wanneer een neef haar hierop aanspreekt zegt ze: ’Ik kan in mijn eigen huis doen wat ik wil met mijn kind’. Pleegmoeder bespreekt deze incidenten met moeder, opdat die een betere opvoeder wordt. Ze heeft medelijden met haar omdat moeder vroeger zelf is mishandeld door haar vader.
         Hoewel Lisa dus wordt opgevoed door twee vrouwen, is zij grotendeels bij pleegmoeder. Ze wordt ingeschreven bij de huisarts van pleegmoeder en gaat om de hoek bij pleegmoeder naar een kinderdagverblijf. Omdat pleegmoeder ook haar eigen doodzieke man verzorgt, fungeren de pedagogisch medewerkers van het kinderdagverblijf als medeopvoeders. Die kennen moeder nauwelijks, want het is altijd pleegmoeder die Lisa brengt en haalt. De leidsters zien dat pleegmoeder liefdevol met haar omgaat.
         In 2004, als Lisa tweeënhalf jaar is, slaan de leidsters alarm: Lisa ontwikkelt zich niet goed, is onrustig, vertoont nauwelijks emoties − met name na een weekend bij moeder − en zoekt voortdurend veiligheid bij hen. 4 Zij verwijzen Lisa naar de jeugdgezondheidsdienst, die haar doorverwijzen naar BJZ vanwege een ’bedreigde ontwikkeling’. BJZ doet onderzoek en indiceert moeder en kind voor intensieve orthopedagogische hulp. Moeder geeft aan dat Lisa slecht naar haar luistert. Ze wil ondersteuning om de opvoeding van Lisa volledig over te kunnen nemen. Pleegmoeder staat hier op dat moment nog achter.

Droge begeleiding
Uit het verslag over deze begeleiding blijkt dat de jeugdhulpverlener moeder heeft begeleid zonder met eigen ogen de interactie tussen moeder en kind te observeren. Zij heeft niet op nonverbale signalen van Lisa gelet of daar verslag van gemaakt, en ziet dus ook geen signalen van kindermishandeling. Terwijl de gezinssituatie bij moeder aan veel risicofactoren voldoet.4
Onder het kopje ‘Diagnose’ staat: 'Niet van toepassing'. Nu kun je van een jeugdhulpverlener geen psychologische diagnose verwachten, maar toch wel een werkdiagnose die gestoeld is op eigen observaties. De doelstellingen en evaluaties worden echter alleen vanuit het perspectief van moeder benoemd, het kind zelf komt er niet aan te pas.
Na negen maanden zijn volgens het verslag de doelstellingen gehaald: Lisa woont nu grotendeels bij moeder en Lisa luistert goed naar haar. Dit ‘resultaat’ wordt wel teruggekoppeld naar BJZ, maar niet naar de oorspronkelijke verwijzers: de pedagogisch medewerkers van het kinderdagverblijf. Die hadden kunnen vertellen dat Lisa nog steeds bij pleegmoeder woont en dat haar gedrag nog even zorgelijk is.

Wanneer Lisa in 2005 vier wordt, dragen de leidsters haar over aan hun collega's van de naschoolse opvang. De leidsters daar constateren dat Lisa na een weekend bij moeder vaak stilletjes is. In 2006 noteren drie pedagogisch medewerkers onafhankelijk van elkaar dat Lisa op die maandagen pijn heeft bij plassen, waarna zij een rood-geïrriteerde schaamstreek constateren. Ook heeft het kind pijn in de mond, in de billen en op de benen. Het protocol kindermishandeling van deze naschoolse opvang schrijft voor dat de leidsters eerst met de desbetreffende ouder moeten praten. Maar zij zien moeder nooit, dus dat gaat moeilijk.
         In augustus 2007 wordt de man van pleegmoeder terminaal en verblijft Lisa een maandlang bij moeder. Overdag blijft zij voor vakantieopvang naar de naschoolse opvang gaan. De leidsters raken opnieuw gealarmeerd omdat de onrustbarende verschijnselen nu frequenter voorkomen. Zij bevragen Lisa hierop en die vertelt dat moeder haar met een stok heeft geslagen. Wat later op de dag vertelt Lisa dat de pijn 'zomaar' is gekomen. 5 Een andere keer constateren de leidsters blauwe plekken op rug en benen en vertelt Lisa dat zij daar met een hamer is geslagen.
         Een van de leidsters belt het AMK. Zij hoort dat deze pas in actie komt na vijf contacten (MOgroep Jeugdzorg, 2008). Daarom delen de leidsters hun zorgen met pleegmoeder en zeggen haar dat ze iets moet doen. Pleegmoeder schrikt. Schaamte dat zoiets in hun familie plaatsvindt en de neiging je problemen eerst zelf op te lossen, zorgde ervoor dat de ernst tot dusver onvoldoende tot haar doordrong.
         Pleegmoeder gaat met de vijfjarige Lisa praten. Die vertelt dat zij een geheim heeft dat ze aan niemand mag vertellen, anders gebeuren er héle erge dingen. Dan zal ‘andere’ mama met een mes de tumor uit de buik van papa snijden (Lisa is uit zichzelf haar pleegouders mama en papa gaan noemen), zodat hij doodgaat. Ook zal moeder mama doden of van haar afpakken. Pleegmoeder gelooft haar omdat zij zelf bij Lisa nooit het woord tumor heeft gebruikt.
           Dan vertelt Lisa dat moeder haar arm met een hamer op tafel wilde vasttimmeren. Pleegmoeder gaat naar de huisarts. Die maakt zich al langer zorgen over Lisa vanwege ernstige psychosomatische klachten: buikpijn, hoofdpijn, nachtmerries, slecht eten, eczeem, astma. 4 Hij neemt Lisa apart, en die vertelt dat ze door moeder met haar hoofd tegen de muur is gegooid, waarna ze moest overgeven. Hij belt het AMK. Die adviseert tegen pleegmoeder te zeggen dat zij zelf een melding moet doen, hetgeen gebeurt. Een getuige uit de familie doet anoniem (vanwege angst voor moeders nieuwste vriend) een melding, en moeders zus belt ook het AMK.

De diagnose
Vanaf november 2007 laat pleegmoeder Lisa niet meer alleen naar moeder gaan.
Moeder dient daarop een aanklacht in bij de Rechtbank en doet twee verzoeken: een om de omgangsregeling te herstellen en een om Lisa volledig bij zich te krijgen. Tevens neemt moeder contact op met BJZ. Die benoemt een bemiddelaar om het contact tussen moeder en pleegmoeder te herstellen ten einde de omgangsregeling weer op gang te brengen. Omdat Lisa zelf noch gehoord, noch geobserveerd wordt, vertelt pleegmoeder namens Lisa over de mishandelingen. Zij voelt zich hierin echter nauwelijks gehoord.
De bemiddeling mislukt en BJZ draagt in januari 2008 de casus over aan de RvdK.
BJZ’s diagnose luidt dat Lisa door de strijd tussen de twee moeders in een loyaliteitsconflict zit en daardoor in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Geen woord over mogelijke kindermishandeling. Blijkbaar zijn de AMK-meldingen niet opgevat zoals ze bedoeld zijn, maar als wapen in de strijd tussen pleegmoeder en moeder. Deze onjuiste diagnose zal vervolgens keer op keer in alle rapporten herhaald worden.

Ondertussen doet de voorzieningenrechter uitspraak. Hij neemt de hypothese van BJZ van de twee vechtende moeders over, en spreekt een Salomonsoordeel uit: door de week is de verblijfplaats van Lisa bij pleegmoeder en in het weekend bij moeder, op straffe van € 300 per weekend als pleegmoeder niet meewerkt. Dit overstijgt pleegmoeders salaris, terwijl Lisa elke vrijdagavond ziek is. Als pleegmoeders man sterft, wordt het haar te veel. Na verwijzing door de huisarts komt zij in maart 2008 bij mij.

Onderzoek
Ik schat pleegmoeder in als iemand met een sterke persoonlijkheid die door de ontstane situatie er niet toe komt te rouwen. Een vrouw die altijd klaar staat voor anderen, maar door haar directe omgangsvormen niet altijd op haar juiste merites wordt beoordeeld.
Wanneer de huisarts hoort dat ik ook gezinstherapeut en traumatoloog ben, stuurt hij de keer daarna Lisa mee. Hij staat er niet bij stil dat het gezag bij moeder ligt. Ik laat hen echter niet aan de deur staan. Tenslotte staat er in mijn meldcode kindermishandeling (KNMG, 2008) dat het tot mijn professionele verantwoordelijkheid hoort kindermishandeling te signaleren, ‘ook als het kind niet mijn patiënt is, maar wel deel uitmaakt van het gezin van mijn patiënt’.
Ik zie een kwetsbaar meisje van zes jaar met twee parmantige staartjes dat met haar donkere ogen niet één, maar wel tien katten uit de boom kijkt. Haar spillebeentjes schommelen nerveus heen en weer en ze houdt de hand van pleegmoeder stevig vast. Haar affect is vlak en moduleert nauwelijks mee in contact. Ik zie tekenen van een gedesorganiseerde gehechtheidstijl (Nicolai, 2001; Rus, 2006a), wat kan wijzen op onverwerktheid van trauma's . Wanneer het thema ‘bezoek aan moeder’ aan de orde komt, bevriest ze van angst en vermijdt oogcontact.
Ik bel met BJZ met de vraag ze Lisa te verwijzen naar een onafhankelijk kinderpsycholoog. Maar BJZ wil het onderzoek van de RvdK afwachten. Daarna wil ik een melding doen. Het AMK adviseert - omdat het dossier al drie maanden bij de RvdK ligt - daar te melden. Begin april 2008 bevestigt de RvdK mij telefonisch dat ik daar kan melden. Omdat het nog twee maanden kan duren voordat hun onderzoek start en dit onderzoek zelf ook zoiets duurt, adviseer ik de huisarts Lisa alvast naar een kinderpsycholoog te verwijzen. De huisarts belt moeder om toestemming, maar wordt teruggebeld door haar advocaat dat hij per direct zijn diensten voor Lisa moet beëindigen.
Omdat Lisa nu medisch vogelvrij is, bellen we de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De inspectie vindt dit ernstig, maar zegt: ‘recht gaat voor zorg’.

De Raad
Om mijn melding bij de RvdK goed te onderbouwen ga ik meerdere bronnen in de leefomgeving van Lisa na. Dat zijn familieleden, pedagogisch medewerkers van het kinderdagverblijf en de naschoolse opvang, en de schooldirecteur. Half april 2008 doe ik, mede namens de huisarts, een melding bij de RvdK. Mijn diagnose luidt dat Lisa al jaren verscheurd wordt tussen twee thuisen: een veilig thuis dat elk moment opgeheven kan worden (waardoor verlatingsangst dreigt en haar basisvertrouwen wordt ondermijnd) en een onveilig thuis. Ik vraag om onderzoek naar mogelijke kindermishandeling en voorzie mijn melding van vijf ondertekende verklaringen. De familie dringt er in haar verklaring op aan dat pleegmoeder de voogdij krijgt.
Begin juli is het raadsonderzoek klaar. In het rapport staat dat mijn rapportage om de volgende redenen niet wordt meegenomen:
*       ‘Omdat de moeder van Lisa geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van deze rapportage.’ Daders geven echter zelden toestemming voor een melding.
*       ‘Omdat de psychiater Lisa heeft geobserveerd en uitspraken doet over de achtergrond van het gedrag van Lisa, zonder dat de moeder die het gezag heeft hier toestemming voor heeft gegeven.’ In het rapport 'Beter Beschermd' van het ministerie van Justitie lees ik echter: ‘veiligheid gaat boven regelgeving.’
*        ‘De RvdK doet geen onderzoek op basis van een medische rapportage.’ De inspectie jeugdzorg stelt bij de presentatie van haar jaarverslag 2007 (Inspectie jeugdzorg, 2007) echter dat psychiaters actiever moeten worden bij vermoedens van kindermishandeling.

Een van de informanten is de schoolmaatschappelijk werkende. Die stelt dat moeder heel goed voor Lisa kan zorgen (terwijl ze dit nooit heeft beoordeeld) en dat pleegmoeder (die zij nauwelijks kent) Lisa indoctrineert met slechte verhalen over moeder. De schooldirecteur neemt afstand van dit standpunt, maar kan de maatschappelijk werkende niets verbieden omdat die in dienst is bij het algemeen maatschappelijk werk. De vraag is wat de maatschappelijk werkende heeft bewogen tot deze verklaring. Mogelijk is zij misleid. Daders van kindermishandeling kunnen immers vaak goed manipuleren en medelijden opwekken.
Onder het kopje ‘huisarts’ staat in het rapport dat hij de verwondingen niet met eigen ogen heeft geconstateerd. Over dat hij wel ernstige signalen op zijn patiëntenkaart vermeldde, wordt niet gerept. Het thema kindermishandeling wordt in het rapport besproken in termen van ‘aantijgingen’ door pleegmoeder. Verderop staat hierover dat de RvdK ‘…niet aan waarheidsvinding doet’.
Ik bel de Inspectie jeugdzorg. Die vertelt dat zij bij de RvdK alleen toezicht houdt op kwaliteit in algemene zin en niet op het naleven van wet- en regelgeving door individuele vestigingen. Dat valt onder het Ministerie van Justitie.

Meldcode: zinloos?
Ik dien een klacht in bij de RvdK. Dit levert een verhelderend gesprek op. Er is volgens de raadsonderzoeker sprake van een procedurefout: ik had nooit bij hen mogen melden. Bij ‘Beter Beschermd’ lees ik echter: ‘Er mogen geen instellingsgrenzen zijn bij een melding, binnen wélk deel van de jeugdzorgzorgketen ook.’ De RvdK heeft de familieverklaring blijkbaar niet gebruikt omdat zij nooit onderzoek doet naar familie. Deskundigen vinden echter dat informatie uit de directe leefwereld van het kind belangrijk is (De Jong, 2006; Bruning, 2007). Verderop in het gesprek blijkt dat de RvdK mij niet als informant heeft gebruikt omdat de Raad nooit onderzoek doet naar pleegouders, alleen naar biologische ouders. Gevolg: eenzijdige voorlichting. Zij rapporteert bijna nooit een ‘vermoeden’ van kindermishandeling, omdat kinderrechters hier niet van ‘gecharmeerd’ zijn. Alleen bij ‘kogelharde’ bewijzen wordt dit aan de kinderrechter gemeld.
De vraag is wat dan in voorkomende gevallen de zin is van onze gloednieuwe meldcodes. Want als een melding eenmaal bij de RvdK terechtkomt − zonder dat er tegelijkertijd sprake is van strafrechtelijke bewijzen − verdwijnt de melding in een civielrechtelijke trechter en mag de term kindermishandeling blijkbaar nauwelijks worden genoemd.
Ik bied de raadsonderzoeker aan, dat wanneer zij het aandurft de verklaring van de leidsters mee te nemen naar de voorzieningenrechter in hoger beroep, ik mijn klacht intrek. Zo geschiedt, en de kinderrechter vindt de verklaring dermate ernstig dat Lisa de weekends niet meer naar moeder hoeft. Pleegmoeder is opgelucht. Maar er volgt meer.

Gezinsvoogd
In augustus 2008 wordt op advies van de RvdK een ondertoezichtstelling (OTS) uitgesproken en stelt BJZ een gezinsvoogd aan. Lisa mag gedurende het eerste halfjaar − waarin kinderpsychologisch onderzoek bij een particulier forensisch-diagnostisch onderzoeksbureau 6 zal plaatsvinden - bij pleegmoeder blijven. De gezinsvoogd gaat voortvarend aan de slag met moeder (Rus, 2006b), maar niet met pleegmoeder. Ze legt geen huisbezoek af om vertrouwen bij Lisa te wekken. Wegens gebrek aan pleegouderbegeleiders, krijgt pleegmoeder slechts een contactpersoon.
Het ‘plan van aanpak’ van de gezinsvoogd vormt weer een enorme stapel paperassen. 7 Hierin worden veel foute aannames herhaald. Onder ‘diagnose’ staat opnieuw gekopieerd dat Lisa zowel loyaal wil zijn aan moeder als pleegmoeder en daarom klem zit. Als de gezinsvoogd echter een gesprek met Lisa was aangegaan, had ze dingen kunnen horen als: ‘Kunnen we andere mama niet in een raket stoppen en hélemaal naar Afrika schieten?’ of ‘Kunnen we de grote baas [de rechter] niet bellen dat ik nóóit meer naar andere mama wil?’. Onder de kopje ‘Wat vindt de jeugdige hiervan’ staat echter systematisch: ‘Gezien haar leeftijd is zij te jong hierover een mening te vormen’.
De vraag doet zich voor of deze stellingname gestoeld is op het ontbreken van wettelijk spreekrecht tot 12 jaar. Als dat zo is, is BJZ gevaarlijk gejuridificeerd. Zo niet, dan verschuilen jeugdhulpverleners zich (uit onvermogen een gesprekje met een zevenjarig kind te kunnen voeren) achter vermeende rechtsregels.
Bij het thema kindermishandeling stelt de gezinsvoogd dat ‘pleegmoeder gevaren ziet daar waar anderen die niet zien’. Verderop staat dat het ‘…onduidelijk is wat zich heeft afgespeeld’. De vraag is waarom zij dan geen AMK-onderzoek aanvraagt.

Forensisch-diagnostisch onderzoeksbureau
Het bureau dat van november 2008 tot februari 2009 in opdracht van BJZ het psychologisch onderzoek uitvoert, zit samen met BJZ in één gebouw. Vroeger had ik deze nauwe samenwerking toegejuicht, nu heb ik twijfels over de onafhankelijkheid. Onderzoeksvragen zijn: wie van de moeders heeft de beste opvoedingskwaliteiten, en aan wie is Lisa het meest gehecht. Een onderzoeksvraag naar mogelijke traumatisering ontbreekt.
In de voorinformatie ontbreken de ondertekende verklaringen en de AMK-meldingen.
De interactieobservatie van Lisa met pleegmoeder verloopt vlekkeloos. In het verslag over de interactieobservatie met moeder staat echter: ‘Lisa “verdwijnt” als het ware en is alleen nog fysiek aanwezig: als een marionet.’ Toch concluderen de kinderpsychologen dat ‘Lisa’s angst wel meevalt omdat ze moeder niet afweert’. Zij lijken niet te weten dat er behalve "afweren" ook andere verdedigingspatronen bestaan (Schore, 2001; Van der Hart e.a., 2006). Bovendien onderkennen zij niet waarom Lisa immobiliseert: dat Lisa's fragiele hechting aan moeder conflicteert met een diepe angst voor haar.

Lisa vertelt in het individuele gesprek dat pleegmoeder haar echte mama is, omdat die lief is en voor haar zorgt. Over moeder zegt ze dat die haar slaat. De psychologen concluderen echter ‘de indruk te hebben dat Lisa onder invloed van haar omgeving de relatie met moeder negatiever voorstelt dan deze in werkelijkheid is’. We zien hier dat pleegmoeder als schuldige wordt aangemerkt.
         Een van de informanten is de onderwijzeres. Die vertelt dat Lisa het laatste jaar (sinds zij moeder nauwelijks ziet) is opgebloeid. Ze leert goed, is sociaal en de lerares zou wel tien van zulke kinderen in de klas willen hebben. Toch neemt het onderzoeksbureau de tunnelvisie van haar broodheer over en concludeert dat Lisa klem zit. Ze adviseert Lisa weg te halen bij pleegmoeder waar zij al zeven en een half jaar woont en in een gezinshuis te plaatsen. Pas op deze neutrale plek maakt moeder weer een kans. Kennelijk wordt de hechting met pleegmoeder niet gezien als een verdienste, maar als een obstakel.
         Dit verstrekkende advies − dat alle hechtingstheorieën met voeten treedt (Nicolai, 2001; Rus, 2006a) − valt niet af te leiden uit de diagnostiek, maar is ontstaan door *jumping to conclusions**. Verder stellen zij, net als de RvdK, dat aangaande de ‘beschuldigingen’ van mishandelingen door pleegmoeder ‘…onderhavig onderzoek niet gericht mag zijn op waarheidsvinding’.

Klacht
Namens pleegmoeder schrijf ik een reactie op het verslag van de kinderpsychologen, en vraag om overleg. Zij reageren met een formele brief waarin staat dat zij ‘…conform de richtlijnen geen inhoudelijke mededelingen mogen en willen verstrekken aan partijen die niet betrokken zijn bij het onderzoek’. Pleegmoeder machtigt mij daarna officieel, zodat mijn reactie in ieder geval meegenomen kan worden naar de rechtbank.
Ik schrijf een klacht aan het onderzoeksbureau. Die wordt niet ontvankelijk verklaard, want ik ben geen ‘belanghebbende’ van het onderzoeksbureau. Zij schrijven ook: ‘Als 'niet-belanghebbende’ levert u commentaar op de moeder met gezag en haar dochter.’ Ik becommentarieer echter alleen Lisa’s gedrag, maar kinderen worden nu eenmaal niet in een vacuüm mishandeld.
Ik doe opnieuw een AMK-melding. Ik zet mijn adviesvraag uit 2008 alsnog om in een melding. Verder doe ik er een nieuwe bij, omdat het weghalen van een toch al fragiel gehecht kind uit zijn vertrouwde omgeving een vorm van geestelijke mishandeling is.
Daarnaast schrijf ik een klacht aan de inspectie jeugdzorg en de IGZ. Om deze in behandeling te nemen, moet bij de laatste sprake zijn van een structureel probleem.
De drie betrokken kinderpsychologen blijken geen van drieën lid van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP), geen van drieën als psychotherapeut BIG-geregistreerd te staan, en twee van hen zijn ook geen GZ-psycholoog. De kwaliteitsborging schiet dus tekort. Het is opmerkelijk dat je in de GGZ voor het verrichten van subtiele interventies een BIG registratie nodig hebt, maar dat kinderpsychologen in de jeugdzorg verstrekkende interventies mogen voorstellen of verrichten zonder deze waarborg (Van Drunen, 2009).

Beschouwing
De vraag doet zich voor waarom mij als psychiater de toegang wordt geweigerd − aan welke poort van fort jeugdzorg ik ook aanklop. Is het omdat ik via pleegmoeder het systeem ben binnengekomen en daarom in de ogen van jeugdhulpverleners onderdeel ben van het probleem? Komt het omdat ik als buitenstaander jeugdzorg erop betrap dat de mishandelingen jarenlang onder hun beleid zijn doorgegaan? Is er sprake van competentiestrijd? In ‘Raad en Daad ’ (Van Lieshout, 2006) verzucht een BJZ-directeur dat artsen liever met elkaar praten. Wordt dit balletje nu teruggekaatst?
Zou het gescheeld hebben als ik niet vrijgevestigd was, maar een machtsbolwerk achter mij had staan? Dan zou het niet om de inhoud gaan, maar om: macht, imago, territorium, eigenbelang, procedures, vorm en rechtspositie.

Apotheose
In juni 2009 roept een verslagen onderwijzeres pleegmoeder bij zich. Ze heeft van de gezinsvoogd gehoord dat er voorbereidingen worden getroffen Lisa van school te halen. Pleegmoeder weet nog nergens van. Omdat de kinderrechter nog moet vonnissen, doet iedereen zijn best niets aan Lisa te laten merken. Maar ze heeft grote oren en roept dingen als: ‘Als ik weer naar andere mama moet, wil ik liever dood en naast papa begraven worden.’
Ik krijg bericht van het AMK dat mijn melding is doorgeleid naar de gezinsvoogd. Ik begin te vrezen dat Lisa opgeslokt zal worden in de maalstroom van het recht.
Dan belt de inspectie jeugdzorg. Zij gaan BJZ vragen op welke wijze zij informatie van ándere professionals die bij het kind betrokken zijn, meewegen in hun besluitvorming.
Eind juli 2009 gaat − net op het nippertje − het roer 180 graden om. Er wordt een andere gezinsvoogd aangesteld en begin augustus adviseert BJZ de kinderrechter de OTS te verlengen en Lisa bij pleegmoeder te laten.
De rechter neemt het advies over maar bepaalt ook dat de gezinsvoogd de pedagogische relatie tussen moeder en kind moet herstellen. Zo zit de wet nu eenmaal in elkaar. Ook in het geval dat ouders notoire daders van kindermishandeling zijn. Deze ouders krijgen steeds een nieuwe kans, maar daardoor ook de mogelijkheid hun kinderen steeds verder te beschadigen.

Er is een land waar kinderen willen wonen
Tot 20 % van de kinderen in Nederland is slachtoffer van kindermishandeling. Omdat bij jeugdzorg slechts probleemkinderen komen, zal hier dat hoge percentage zeker kloppen. Het gaat dus niet alleen om excessen: kindermishandeling behoort tot de core business van jeugdzorg.
In bovenbeschreven casus durven onderzoekers en hulpverleners door gebrek aan professionele autonomie − vanwege kennistekort en omdat zij gemangeld worden door de politiek en het recht − hun vingers niet te branden aan kindermishandeling. Ze lijken onzeker over welke informatiebronnen zij mogen gebruiken en menen bepaalde bronnen te mogen negeren. Het AMK − de enige instantie die er verstand van heeft − neemt helaas te weinig regie.
Om een hogere deskundigheidsgraad te bereiken moet iedereen van zijn ivoren toren af en samen naar school. Jeugdhulpverleners en gedragsdeskundigen moeten leren de lichaamstaal van kinderen te verstaan en een gesprekje met hen leren maken (Kwaliteitshandboek kinderopvang, 2008). Wanneer alleen met ouders wordt gesproken, zijn veel diagnosen en begeleidingen op drijfzand gebouwd; temeer daar mishandelende ouders hun daden vaak loochenen en zorgmijders zijn. Wanneer jeugdhulpverleners de lijsten risicofactoren en signalen kindermishandeling leren hanteren, zullen zij al snel een gevoel ontwikkelen voor of iets pluis of niet pluis is.
Het geld moet niet langer naar onderzoekscommissies en stelselwijzigingen, maar naar professionalisering. Op zijn hoogst kan overwogen worden de indicatiestellingen bij BJZ te vereenvoudigen en de RvdK op te laten gaan in de afdeling jeugdbescherming van BJZ. Beide om extra wachttijd en dubbele onderzoeken te verminderen. Wanneer de kwaliteit van de jeugdzorg verbetert, zal zij vanzelf doelmatiger worden. Daarmee helpen wij onze kinderen het meest. En daarmee helpen wij jeugdhulpverleners zich weerbaarder op te stellen tegen onzinnige procedures en rechtsregels.
Wat de politiek wel kan doen, is de wet zodanig bijschaven dat het belang van het kind écht voorop staat. Het verbeteren van het opgroeiklimaat voor kinderen − hoe belangrijk ook − is voor kindermishandeling te mager. Jeugdzorg blijft dus veel geld nodig hebben. Het hoort in ons land immers onbestaanbaar te zijn dat wij banken redden, maar kinderen laten vallen.

Noten
1. Van pleegmoeder heb ik toestemming voor deze publicatie uit haar dossier te citeren, zowel uit het traject vóór mijn bemoeienis (tot maart 2008), als tijdens mijn bemoeienis − de laatste anderhalf jaar. Verder heb ik ieders privacy gewaarborgd door op geen enkele manier te verwijzen naar concrete personen, instellingen of locaties, en door de casus te anonimiseren.
2. De definitie van kindermishandeling is in de Wet op de Jeugdzorg opgenomen in artikel 1 onder p: ‘Elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadig interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.’
3. Onder kindermishandeling wordt in het onderzoek ‘Scholieren over mishandeling’ (Lamers-Winkelman, 2007) verstaan: ernstige psychologische of fysieke agressie door ouders, seksueel misbruik en/of ernstige verwaarlozing en waargenomen ernstig fysiek geweld tussen ouders. Een op de vijf jongeren heeft dit het laatste jaar meegemaakt (incidentie). Ruim een derde heeft dit ooit meegemaakt (prevalentie).
4. Er zijn verschillende lijsten met signalen en risicofactoren kindermishandeling in omloop (Wolzak, 2001; Pollmann, 2008). Het aantal risicofactoren in de gezinssituatie bij moeder is hoog. Om privacyredenen worden deze niet verder gepreciseerd. Bij het turven van kindsignalen scoort Lisa wat betreft lichamelijk welzijn matig en qua psychosociale signalen hoog.
5. Mishandelde en vooral seksueel misbruikte kinderen wordt door de dader vaak zwijgplicht opgelegd. Het kind wordt gechanteerd met ernstig onheil bij het kind zelf of bij anderen (vaak veilige familieleden) wanneer het zijn zwijgplicht doorbreekt. Dit soort bedreigingen vormen een ernstige geestelijke mishandeling. Het isoleert het kind van veilige anderen en sluit het op in een cocon met de dader.
6. Een forensisch-diagnostisch onderzoeksbureau doet diagnostiek en behandeling in een strafrechtelijk kader. In deze casus doet het desbetreffende bureau onderzoek in een civielrechtelijk kader.
7. Om alle werkprocessen van BJZ te beschrijven had adviesbureau Ordina 188 pagina's nodig (Van Lieshout, 2006). Deze bureaucratie kost jeugdhulpverleners handenvol tijd. Wanneer zij bovendien de probleemstelling niet op 1 A4'tje samenvatten en regelmatig actualiseren, hebben zij geen overzicht.
Literatuur
- Bakker R.J., Jongejan H.T.M., & Brussel I.M.B. (2006). Niet zomaar een brandwond: Signalering kindermishandeling is in ziekenhuizen verder onder de maat. Medisch Contact, 24, 994-996.
- Bruning M.R. (2007). Kinderen eerst. Jeugdbescherming na Savanna. Lezing 10 februari 2007 Universiteit Leiden.
- Drunen P. van (2009). De gezondsheidszorgpsycholoog en de Wet BIG. De Psycholoog, 6, 336-339.
- Hart, O. van der, Nijenhuis E.R.S., & Steele K. (2006). The haunted self: Structural dissociation and the treatment of chronic traumatization. New York: Norton.
- Hermanns, J., & Meulen, M. ter (2007). Het bestrijden van kindermishandeling: Het Regio-RAAK-experiment. Eindverslag. Woerden/Amsterdam: Contact.
- Inspectie jeugdzorg (2007). Jaarverslag Inspectie jeugdzorg over 2007. Utrecht: 2008.
- Jong, A. de, & Verheggen, W. (2006). Kindermishandeling horen-zien-spreken. De keten korter en beter. Tilburg: KNMG, District Midden-Brabant, p. 45-48.
- KNMG(2008). Artsen en Kindermishandeling/Meldcode en Stappenplan. Utrecht: KNMG
- IPK (2008) Kwaliteitshandboek kinderopvang Kwaliteitshandboek kinderopvang 2samen. Den Haag: IPK, 29-44.
- IJzendoorn, M.H. van, Prinzie, P., Euser E.M. e.a. (2007). Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie van kinderen en jeugdigen. Den Haag: WODC.
- Lamers-Winkelman, F., Slot W., Bijl B., & Vijlbrief A. (2007). Scholieren over mishandeling (SOM); Resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam/Duivendrecht: VU Amsterdam.
- Lieshout, M. van (2006). Raad en Daad. De vele gezichten van Bureau jeugdzorg. NJi. Amsterdam: SWP.
- Ministerie van Justitie (2004). Beter Beschermd. Programma voor een effectieve en efficiënte jeugdbescherming. Den Haag: Ministerie van Justitie.
- MOgroep Jeugdzorg (2006). Antwoord van de Jeugdzorg Aanpak kindermishandeling. Landelijk Actieprogramma Jeugdzorg. Utrecht: MOgroep Jeugdzorg.
- MOgroep Jeugdzorg (2008). AMK jaarverslag 2008 openbaar. Utrecht: MOgroep Jeugdzorg.
- Nicolai, N.J. (2001). Hechting en psychopathologie: Een literatuuroverzicht. Tijdschrift voor Psychiatrie, 43, 5, 333-342.
- Pollmann, P. (2008). Kindermishandeling inzichtelijk. Vroegsignalering, onderzoek, diagnostiek, risicotaxatie. Assen: Van Gorcum.
- Rietveld, A.A. (2009). De Nederlandse jeugdzorg: zorgenkind op weg naar volwassenheid? Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 64, 858-874.
- Rus, C.P. (2006a). Bruisend en Breekbaar. Jongeren op drift door gefragmenteerde maatschappij. Tijdschrift voor Humanistiek, 28, 99-110.
- Rus, C.P. (2006b). Laat Justitie gezinsvoogden met rust laten. Trouw, 20-12-2006.
- Schore, A.N. (2001). The effects of early relational trauma on right brain development, affect-regulation, and infant mental health. Infant Mental Health Journal, 22, (1-2), 201-269.
- Stuurgroep Opstelten (2009). Advies Stuurgroep Aanpak Kindermishandeling. Den Haag: Stuurgroep Opstelten.
- Tweede Kamer der Staten-Generaal (2004). Wet van 22 april 2004, houdende regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de Jeugdzorg), Stb. 2004, 306.
- Wolfzak, A. (2001). Kindermishandeling: Signaleren en handelen. Basisinformatie voor mensen die werken met kinderen. Utrecht: NIZW.
- Willems, J.C.M. (2007). Kwetsbaarheid van kinderen: Van kinderbescherming naar rechten van het kind. RAAK- informatie en documentatie. Utrecht: NJI.

Samenvatting
‘Wie luistert naar het kind? Wat er allemaal misging bij een melding van kindermishandeling’
In deze casus van een melding van kindermishandeling blijkt er een krampachtig soort samenwerking te zijn ontstaan tussen de verschillende jeugdzorginstanties, waarbij foutieve diagnoses klakkeloos van elkaar worden overgenomen en niemand naar het kind luistert.
Er worden nieuwe stelselwijzigingen overwogen om de doelmatigheid van jeugdzorg te verhogen. Echter, alleen professionalisering kan hier fundamenteel en blijvend aan bijdragen. Ook het terugdringen van onnodige bureaucratie en juridificering is noodzakelijk. Jeugdhulpverleners worden gevangen gehouden in procedures en door onzekerheid verliezen zij hun autonomie. Dit gaat ten koste van het belang van het kind.

Personalia
Drs C.P. Rus (1953) is zelfstandig gevestigd psychiater en psychotherapeut/traumatoloog en lid van de adviescommissie van de patiëntenvereniging VSK (Vereniging tegen
Seksuele Kindermishandeling).

7 gedachten over “Wie luistert naar het kind

  1. Jan CM Willems

    Van harte eens met al het bovenstaande. Van harte eens met elk pleidooi voor professionalisering. Dat draagt zeker bij aan voorkómen en verminderen van onkunde en onmacht bij opvoeders. Maar naast onkunde en onmacht is er nog een derde oorzaak van kindermishandeling: onrecht. Niet iedereen die een kind op de wereld zet, kan voor dat kind zorgen, maar moet dat wel van de wet. Dat is onrecht. Maar de wet is een uitdrukking van de cultuur. Professionalisering moet daarom onderdeel zijn van een cultuurverandering. Een verandering van denken en doen die uitgaat van het recht van elk kind op competente opvoeders aan zijn of haar wieg. Professionalisering is dan onderdeel van een cultuur van ‘voorbereid ouderschap’ en niet meer een pogen tot dweilen met de kraan open in een – achterhaalde – traditie van kinderbescherming als interventie. Elke baby moet zich veilig – en dus duurzaam – kunnen hechten. Dat moeten en kunnen we regelen. Daarvoor moeten en kunnen we zorgen. Wet en cultuur mogen een baby niet uitleveren aan onmenselijke behandeling. Dat is onrecht. Cultuurverandering begint bij het benoemen van onrecht. In het verleden is de slavernij afgeschaft. Alleen in patriarchale culturen zijn vrouwen nog bezit van mannen. Nu moeten we nog durven denken dat baby’s geen bezit zijn van ouders, maar mensen met rechten. Durven denken wordt zo de eerste stap naar effectieve professionalisering.

    Reageren
    1. Carla Rus Bericht auteur

      Beste Jan Willems,

      Dank voor je reactie! Ik ben het met je eens dat elk kind recht heeft op competente ouders. Maar omdat screening vooraf onmogelijk is, pleit ik al decennia voor verplichte (ongesegregeerde) opvoedcursussen.
      Waarom is in Nederland via de consultatiebureau’s / jeugdgezondheidsdienst de lichamelijke zorg van het kind (redelijk) goed geregeld, en waarom blijft de geestelijke zorg hier zo bij achter?! Natuurlijk werken in de jeugdgezondheidsdienst veel goede verpleegkundigen en artsen die regelmatig signaleren, maar hun mogelijkheid om in te grijpen is beperkt. Bovendien worden (tot voor kort of nu nog steeds?) bij een verdenking van kindermishandeling door de Raden van Kindermishandeling deze hulpverleners regelmatig niet als informant gebruikt. Tenslotte bepaalt de Raad zelf wie zij als informant uitnodigt.
      Begeleiders van verplichte opvoedcursussen zouden – behalve aan voorlichting en begeleiding doen – ook een signalerende fuctie kunnen hebben. Maar wel op zo’n manier dat de ouders hen in de eerste plaats als hulpverlers en niet als een soort politieagenten gaan beleven. Dat roept bij kwetsbare ouders maar zorgmijding op.
      Wanneer die verplichte opvoedcursussen in groepen worden gegeven, kunnen andere ouders bovendien als co-theapeut optreden en ook mee helpen signaleren. Zo ontsaat er een modern soort extended family.

      Enfin, ideeën zat… Maar helaas luisteren politici vaak slecht naar inhoudsdeskundigen, want ‘bekostiging’ en ‘korte-termijn-denken’ zijn de ingrediënten van het taaiste soort oorsmeer dat er bestaat…

      Hartelijke groet,
      Carla

      Reageren
      1. Jan CM Willems

        Opvoedcursussen zijn onderdeel van een structurele aanpak maar op zich niet genoeg (dat is één). De wettelijke basis daarvoor is in 2007 gecreëerd met de invoering van het verbod op slaan in de opvoeding. Screening vooraf is ook een onderdeel, en wordt thans tot de verantwoordelijkheid van gemeentes gerekend (zie https://www.augeo.nl/~/media/Files/Gemeenten/Augeo-Kindermishandeling-voorkomen-het-kan-Preventie-in-gemeenten.ashx). De mensenrechtelijke basis daarvoor is de plicht van overheden geen mens, en dus ook geen baby, aan onmenselijke behandeling uit te leveren (het zogenaamde martelverbod). Dit zou vertaald moeten worden naar een wettelijke norm over voorbereid ouderschap met minimumvoorwaarden waaraan bij de geboorte van het kind moet zijn voldaan (dat is twee). Prenatale zorg en bescherming wordt dan de regel in plaats van de uitzondering. Voorbereiding hoort al in het onderwijs te beginnen (dat is drie). En praktische en waar nodig deskundige ondersteuning en hulp zijn respectievelijk vierde en vijfde integraal onderdeel van een structurele preventieve aanpak (voor info google Willems SMECC).
        In feite gaat het in de kern om beperking van automatisch ouderlijk gezag (taboe). Door de traditie van automatisch ouderlijk gezag is ook een cultuur van onvoorbereid ouderschap ontstaan: ouders hoeven niet voorbereid te zijn, en dus ook niet waar nodig al prenataal ondersteund (onrecht benoemen). Het gaat hier niet om een beperking van de voortplantingsvrijheid, zoals bij het wetsvoorstel voor een verplichte prikpil bij ‘onverantwoord ouderschap.’ Bovendien zou men aan extra rechtswaarborgen kunnen denken zoals inbreng in procedures vanuit een vakbond van ouders, of door de instelling van ouderschapsteams zoals bepleit door de Amerikaanse psychiater Jack Westman (Parent Power 2013).
        Welke uitwerking of andere oplossing men ook kiest (durven denken), het huidige kinderbeschermingssysteem kan niet blijven. Het is inhumaan en willekeurig pas in te grijpen na meldingen en (dus) nadat al ernstige schade is ontstaan. De meeste ellende blijft daardoor verborgen. Als er wordt ingegrepen gebeurt dat vaak op onvoldoende deskundige en eerder beschadigende dan beschermende wijze: het kind moet uit huis worden geplaatst doordat de situatie is geëscaleerd, en wordt dan soms van pleeggezin naar pleeggezin geplaatst, tussendoor weer thuis, dan weer naar een instelling enz. Uiteindelijk moet ouderlijk gezag worden beëindigd, na jarenlange ellende en procedures, in situaties waarin het voor iedereen duidelijk is dat het nooit (onvoorwaardelijk) had mogen worden verleend, of misschien beter gezegd, automatisch door de wet opgelegd. Het is bovendien voor de Nederlandse samenleving een schadepost van volgens een voorzichtige schatting een miljard euro per jaar en hoogst waarschijnlijk een veelvoud daarvan. Toekomstige generaties zullen niet snappen dat we een zo ineffectief en inhumaan en bovendien kapitalen verslindend systeem zolang in stand hebben gehouden.

      2. Carla Rus Bericht auteur

        Ik ben het volstrekt met u eens dat er een beperking moet komen van het automatisch ouderlijk gezag. Het ouderlijk gezag moet verdiend worden door goed parenting.
        Ik houd zeer van uw radicale opstelling. Is het goed dat ik bovenstaand stuk ook op de site van NeSPCAN laat zetten?
        Met hartelijke groet
        Carla Rus
        PS: lees daar ook wat ik in reactie schrijf op het standpunt van artsen dat zij geen verplichte meldcode willen of ook maar iets wat er in de buurt komt. Terwijl de wachtkamers van huisartsen vol zitten met psychosomatische klachten gebaseerd op mishandeling in de jeugd…

  2. Francien Lamers-Winkelman, hoogleraar orhopedagogiek Bericht auteur

    Met de tong op de schoenen

    Het artikel “Wie luister er naar het kind?”in MGV nr. 12 (2009) is een waardige afsluiter van een jaar waarin wederom veel gepraat is over kindermishandeling. Dat dit praten tot de Babylonische spraakverwarring heeft bijgedragen moge uit het artikel blijken. Maar het is niets nieuws; over kindermishandeling, en hoe dat aan te pakken, spreken wij in Nederland al jaren met vele tongen. We bijten liever onze tong af dan een vermoeden uit te spreken, hebben onze tong ingeslikt als we kindermishandeling zouden moeten melden, hebben onze tong verloren als we met een kind behoren te praten over zijn/haar ervaringen, worden gemaand onze tong in toom te houden als we verontwaardigd zijn over het onrecht kindermishandeling, en gaan over de tong als we emotioneel reageren over weer een ‘shaken baby’ die voor de rest van zijn/haar leven gehandicapt is. Jawel, de tongen komen wel los als de Minister van Jeugd en Gezin overal in het land, een heel jaar lang, wil debatteren over opvoeden.

    Ik voorspel dat dit jaar debatteren een nieuw preventie programma kindermishandeling en een nieuwe campagne tegen kindermishandeling zal opleveren. Naast stapels rapporten die niemand leest en die de weg gaan van alle rapporten over kindermishandeling, richting bureaulade. In 1997 werd het eindrapport van de Werkgroep Meldpunt Kindermishandeling aangeboden. In een begeleidende brief stond dat “Nederland op termijn een landelijk dekkend netwerk van laagdrempelige en goed geoutilleerde advies- en meldpunten kindermishandeling zal kennen”. In datzelfde rapport, 1997, stond dat de functie ‘verwijzen en overdragen’ met name in de Jeugdzorg stagneert. De voordeur van de Jeugdzorg klemt al lang, en valt regelmatig in het nachtslot.
    In het rapport stond ook dat ‘de directe beschikbaarheid van de hulpverlening’ algemeen als wenselijk en na te streven wordt beschouwd’. Maar er stond ook in dat het AMK op de feitelijke toepassing ervan maar weinig invloed kan hebben. Inderdaad, weinig invloed. Zeven jaar later, in 2005, schrijft de MO groep Jeugdzorg ‘met trots’ dat zij het initiatief had genomen om iets aan kindermishandeling te gaan doen.
    Het programma Beter Beschermd (onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Jeugd en Gezin) stelt dat Veiligheid van het kind gaat voor Regelgeving, en minister Rouvoet sprak op 26 november 2007 de woorden “Mijn uitgangspunt en dat van het kabinet is dat het belang van het kind uiteindelijk altijd vóór gaat”. Maar wel met het voorbehoud dat het belang van het kind past binnen bestaande structuren, en zich laat vatten in een daaruit voortvloeiende Keten Aanpak. Maar die bestaande structuren lieten het al jaren afweten, in 1990 constateerde Bouw, Jacobs en Wegelin: “De samenwerking tussen de instanties die te maken hebben met kindermishandeling en seksueel misbruik hapert doordat er nogal wat wantrouwen onderling bestaat“ (p.17). Naast wantrouwen constateerden deze onderzoekers eveneens verschil in inzicht (therapeutische stromingen) over het ‘hoe te handelen’, en een gevecht om ‘wie is de baas’ in een samenwerkingsverband.

    Vier jaar na Savannah kwam de Inspectie Jeugdzorg met een rapport ‘De toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming’ (2008), en ook in 2008 werd de Meldcode Kindermishandeling (KNMG, 2008) van kracht, maar de Inspectie voor de Gezondheidszorg stelt dat ‘Recht voor Zorg gaat’(zie MGV nr. 12, 2009). En als Recht voor Zorg gaat over welk Recht heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg het dan? In 2009 is 20 jaar Rechten van het Kind ‘gevierd’. Statig schreed Koningin Beatrix, beschermvrouwe van UNICEF Nederland, op vrijdag 20 november j.l. het congres in Leiden binnen. Zou ze geweten hebben dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg de Rechten van het Kind schendt?
    De Raad voor de Kinderbescherming ‘doet niet aan waarheidsvinding’, maar Kindermishandeling is en blijft een strafbaar feit. Hoe kom je achter de werkelijkheid als je de waarheid niet onder ogen wilt zien? Hoe bescherm je een kind als je niet wilt luisteren naar alle informanten, inclusief het kind. Hoe loyaal ben je aan (de Rechten van) het kind als je te pas en vooral te onpas schermt met loyaliteitsconflicten?

    In 2010 bestaat de Stichting Voorkoming Kindermishandeling 40 jaar. In1972, werden de eerste Bureaus Vertrouwensarts inzake Kindermishandeling (BVA) geopend. Na 38 jaar AMK’s (eerder BVA’s), en vooral ontelbare nota’s, voornemens, beleidsstukken, en Raak initiatieven, durf ik te stellen dat er niet alleen te weinig, maar ook bar weinig gebeurd is, en dat mishandelde kinderen nog steeds in de kou staan, ondanks het feit dat voor de ouders een heel alfabet aan hulp in het gezin is toegepast.

    De keten benadering
    Voor de aanpak van kindermishandeling werd in Nederland gekozen voor de Ketenbenadering. Een bij voorbaat tot mislukken gedoemd beleid. Want de Ketenbenadering gaat uit van de bestaande structuren, en ‘de kindermishandeling’ moest in de bestaande structuren geperst worden. Professionals uit verschillende organisaties zouden zich na elkaar moeten schakelen, en aaneengeschakeld, als een team moeten werken ten behoeve van het kind. Maar een achter elkaar geschakeld team is geen team, tenzij ze één baas hebben. Alleen een in elkaar geschakeld, geïntegreerd team kan een team worden. Een team bouw je, met moed, beleid, visie, volharding, kennis en kunde, en trouw. Maar organisaties worden vaak geleid door managers die praten over teams waar ze zelf geen deel van uitmaken. En door mensen die zich niet realiseren dat iedere keten zo sterk is als haar zwakste schakel, en dat ‘overschakelen’ een uitermate kwetsbaar proces is. De auto industrie heeft daar lering uit getrokken, en ontwikkelde auto’s waarin niet meer geschakeld hoeft te worden, en dus veiliger auto’s. Het zou, voor de mishandelde en misbruikte kinderen in Nederland te wensen zijn dat ook voor hen een veiliger, schakelvrije, auto werd uitgevonden.

    ‘De Jeugdzorg’, geschakeld in de keten, zou uitkomst bieden aan alle kinderen die mishandeld of misbruikt worden, of meemaken dat hun ouders elkaar te lijf gaan. De Jeugdzorg die in 2005 aankondigt dat zij ‘iets aan kindermishandeling gaat doen’, maar nog steeds niet in staat is om de kinderen van het geweld de zorg te bieden waar ze recht op hebben. De Jeugdzorg die, jaar na jaar, afwisselend wordt gefuseerd, of gesplitst, wordt opgetuigd en afgetuigd, wordt gerenoveerd en tenslotte wordt bestreken met een lik van de aller goedkoopste verf die te vinden is. De Jeugdzorg in Nederland is een onbewoonbaar verklaarde woning geworden voor kinderen die te maken hebben met een vorm van kindermishandeling. Als een goed bouwheer zou het Ministerie voor Jeugd en Gezin het huis van de Jeugdzorg moeten slopen en een nieuw, kindvriendelijk huis moeten bouwen.
    En met de sloop van het huis van de Jeugdzorg zouden ook alle beleidsplannen en nota’s inzake Kindermishandeling in brand gestoken moeten worden. Want, hoewel het allemaal beleidsplannen heten te zijn, ten aanzien van Kindermishandeling geldt dat er geen expliciet geformuleerd beleid is. Dat impliceert dat er ook geen daarop afgestemd operationeel proces is; niet ten aanzien van de signalering, de melding en de hulpverlening. Geen beleid vanuit één visie, geen beleid vanuit kennis en kunde inzake kindermishandeling.

    Wat er werkelijk loos is, is dat ondanks alle rapporten, beleidsstukken en voornemens, niemand iets MOET, de oude wijn in nieuwe zakken is gedaan, de keizer nieuwe kleren heeft aangekregen, maar dat niemand door de ogen van het kind heeft gekeken en gezien heeft dat de nieuwe kleren van de keizer gebakken lucht zijn. Wat er waarlijk voos is, is dat wij niet erkennen dat kindermishandeling en seksueel misbruik traumatische ervaringen zijn die de neurologische, lichamelijke, emotionele, cognitieve, sociale, morele en gedragsmatige ontwikkeling van een kind negatief beïnvloeden. Wat er werkelijk loos is, is dat wij niet erkennen dat kindermishandeling en seksueel misbruik multidisciplinaire, interinstitutionele aanpak behoeven. Wat er werkelijk loos is, is dat we niet durven ingrijpen, omdat we niet weten hoe we moeten ingrijpen, omdat we denken dat de ander wel zal ingrijpen, omdat we denken dat het allemaal wel meevalt, omdat kindermishandelingszaken complex en moeilijk zijn, omdat we al die ellende niet op ons bord willen hebben, omdat die zaken veel meer geld kosten dan we ervoor kunnen declareren, omdat ouders naar een advocaat kunnen stappen, maar hun kinderen niet, omdat de politiek wel naar de ouders luistert omdat zij wel kunnen stemmen maar hun kinderen niet, omdat …..

    Kindermishandeling is een gecompliceerd fenomeen met veel facetten, veel betrokken personen, veel betrokken professionele disciplines. Het is zo ingewikkeld dat het, per definitie, om een gecoördineerde multidisciplinaire aanpak, vanuit één visie, vanaf melding tot ‘brand meester’ vraagt. Gecoördineerde, multidisciplinaire aanpak, vanaf het eerste vermoeden, via het onderzoek en de hulpverlening, tot aan de (langdurige) follow-up. Inmiddels is duidelijk geworden dat er te veel regisseurs op de Keten-Aanpak set lopen die te veel films tegelijkertijd moeten maken.

    Nederlandse kinderen die slachtoffer zijn van één van de vormen van kindermishandeling hoeven geen nota’s en beleidsvoornemens meer. Zij, en hun ouders, hebben behoefte aan
    Multidisciplinaire Centra voor diagnostiek én behandeling (therapie) bij kindermishandeling (waaronder Huiselijk Geweld) en seksueel geweld waarin:
    – het kind centraal staat
    – gerichte diagnostiek wordt verricht om na te gaan wat de gevolgen van de mishandeling voor het kind zijn
    – er altijd ook (per definitie) medische diagnostiek plaats vindt
    – waar, op basis van multidisciplinaire diagnostiek van kind en gezin/ouders
    – het kind direct de hulp/therapie kan krijgen die het verdient en nodig heeft
    – en de hulp aan de ouders wordt afgestemd op wat het kind nodig heeft.

    Helaas zijn alle geldstromen in Nederland nog zo gescheiden, en de visies op kindermishandeling nog zo verschillend, dat er nog geen multidisciplinair centrum/team bestaat zoals hierboven beschreven.

    Francien Lamers-Winkelman, hoogleraar orhopedagogiek

    Reageren
    1. Carla Rus Bericht auteur

      In: MGV 2010

      Dank voor de boeiende reacties op mijn artikel. Helaas wordt ik door kinderarts Noor Landsmeer in mijn vrees bevestigd dat mijn casus geen incident is. Ik ben het eens met hoogleraar orthopedagogiek Francien Lamers-Winkelman dat het ontbreekt aan een gemeenschappelijke visie op kindermishandeling, samenhangend met een verschil in professionaliteit.
      Ik wil hier twee belangrijke axioma’s noemen waarover verschil van mening bestaat tussen GGZ-medewerkers en jeugdhulpverleners. Ten eerste de assumptie van sommige jeugdhulpverleners dat als er geen ernstige fysieke schade is, het ‘wel meevalt’. Subtiele, maar ernstige kindsignalen worden hierdoor gemist. In ieder geval wordt er nauwelijks actie op ondernomen. GGZ-medewerkers constateren echter dat deze symptomen kunnen uitmonden in – soms ernstige – psychopathologie.
      Ten tweede is er verschil van mening over de (vermeende) loyaliteit van het kind ten opzichte van de mishandelende ouder. Veel gezinsvoogden menen dat het kind áltijd loyaal blijft aan de ouder, wat die ook heeft gedaan. Ze vinden dat het kind ‘recht heeft’ op die ouder, maar hebben niet door dat zij daardoor het kind soms ‘veroordelen’ tot die ouder. Als psychiater heb ik decennialang patiënten behandeld die in hun jeugd slachtoffer waren van (seksuele) mishandeling. Mensen die als kind ‘overgeleverd’ waren aan een ouder, die hen – behalve mishandelde – óók verzorgde. Ik vergelijk dit type loyaliteit dan ook met het Stockholmsyndroom. Wanneer ik hen op volwassen leeftijd in therapie krijg, vormt juist deze pathologische loyaliteit een obstakel voor genezing. Het eerste wat de patiënt – nadat hij voldoende vertrouwen in mij heeft gekregen – moet leren, is dat hij in de éérste plaats loyaal aan zichzelf wordt. Als dat lukt, opent dat de poort tot genezing. En juist deze ziekmakende loyaliteit staat zo hoog in het vaandel bij jeugdzorg!
      Pas wanneer ketenpartners een aantal kernwaarden gemeenschappelijk hebben, kan het vertrouwen in elkaars visie groeien. Onderling vertrouwen is dé voorwaarde voor goede samenwerking. Beter dan een politiek opgelegde schijn-samenwerking die de professionele autonomie aantast. Wanneer er onderling vertrouwen is, hoeven de RvdK’s niet langer het onderzoek van de AMK’s ‘over te doen’ en wordt de GGZ niet langer buiten de deur van BJZ gehouden, en vice versa.
      Het voorstel van Lamers-Winkelman van geïntegreerde, multidisciplinaire teams is ideaal. In het derde echelon bestaan er al wel specialistische kinderpsychiatrische centra met multidisciplinaire trauma-teams. Maar in het eerste en tweede echelon is dit moeilijker te verwezenlijken vanwege de diversiteit van de problematiek die zich daar aandient, die om meersporenbeleid vraagt.
      Het bouwen van een geheel nieuw kindervriendelijk huis roept – vrees ik – opnieuw veel kinderziekten op. Pragmatischer is om het bestaande huis met de vele kamers ‘organisch’ te laten evolueren: disfunctionele onderdelen een nieuwe functie te geven, potentieel goede onderdelen bij te schaven en andere onderdelen, zoals de RvdK’s en de afdelingen jeugdbescherming van BJZ, te laten fuseren. Een huis waarin gestreefd wordt naar korte lijnen, minder bureaucratie, minder dictaten uit de juridische werkelijkheid en meer geld voor opleiding. In een huis dat organisch groeit kan gewoon dóórgewerkt worden terwijl de politiek zo geruisloos mogelijk inadequate geldstromen verlegt. In een dergelijk huis zou ook de gezinsmanager van Eric Gerritsen die ‘de samenbindende baas’ is – kunnen worden gerealiseerd. Die moet beschikken over de meest recente inzichten op het gebied van kindermishandeling.
      Ik hoop van harte dat het wetsvoorstel ter herziening van de maatregelen van kinderbescherming, waar hoogleraar jeugdrecht Marielle Bruning over spreekt, het belang van het kind meer voorop laat staan en de positie van pleegouders zal versterken.
      Rest mij nog te zeggen dat ik met de nieuwe gezinsvoogd van S. uit mijn artikel een goede en plezierige werkrelatie aan het opbouwen ben. Het kán dus wel.

      Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *