Wat is vrouwenhulpverlening?

Wat is vrouwenhulpverlening?

Lezing door Carla Rus, psychiater bij de RIAGG Arnhem

Gearchiveerd in: Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis.
Studieconferentie voor RIAGG-management "Vrouwenhulpverlening als innovatie in de Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (AGGZ)" 16 maart 1989, Hoog Brabant Restaurants, Utrecht.

Wat is vrouwenhulpverlening

Geachte Dames en Heren.

WAT IS VROUWENHULPVERLENING (VHV)?

Zoals het zo vaak eenvoudige vragen over een fundamenteel, nieuw onderwerp vergaat, laat deze zich moeilijk en niet eenduidig beantwoorden.
Een rol hierbij speelt, dat i.t.t. in de alternatieve circuits, binnen de reguliere zorg het bestaansrecht van Vrouwenhulpverlening nog steeds bevochten moet worden.
Ook in de inhoudelijke nota's die de laatste jaren binnen de verschillende RIAGG's verschenen, valt me op, dat de schrijfsters zich steeds weer genoodzaakt voelen het belang van een aparte plaats voor vrouwenhulpverlening binnen de reguliere zorg te benadrukken en zich meer bezig te houden met het beantwoorden van kritische vragen van de collega's, dan zich in alle rust te kunnen buigen over de vraag:

Maar wat is vrouwenhulpverlening nu eigenlijk?
Is er slechts sprake van een speciale visie of hebben wij ook te doen met een aparte methodiek. En natuurlijk de vraag: Wat kan deze vorm van hulpverlening betekenen binnen een tweedelijns geestelijke gezondheidszorginstelling.

Als wij naar de praktijk van VHV kijken, en op de studiedag die eind '87 door het Project VHV van de NVAGG is georganiseerd, werd hier het een en ander van gepresenteerd, dan blijkt hoeveel kostbare ervaringskennis bij een aantal hulpverleensters reeds aanwezig is. Het is m.i. echter broodnodig, dat wil deze kennis niet bij die enkele hulpverleensters blijven hangen, deze onderzocht en systematisch beschreven moet worden, zodat er een methodiek ontstaat die overdraagbaar wordt aan anderen.
Het ligt voor de hand dat er verder gebruik gemaakt wordt van de kennis die reeds is opgedaan in de alternatieve circuits, m.n. in de door de vijf, door WVC gesubsidieerde vrouwenhulpverleningsprojecten, zoals die van de Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling (VSK).
Hierbij moet m.i. echter vermeld worden dat er geen sprake kan zijn van ongeselecteerde kennisovername, maar dat er gewogen en bijgeschaafd dient te worden wanneer het zwaardere en in het bijzonder psychiatrische problematiek betreft.
Met het risico, dat ook ik in dit verhaal meer bezig ga met het territorium te bevechten, dan de buit te onderzoeken, wil ik hier benadrukken dat er voldoende argumenten zijn om een volwaardige VHV binnen de muren van het RIAGG te laten groeien. Uit praktijk en onderzoek blijkt dat typische vrouwenproblemen vaak genoeg verstrengeld zijn met ernstige symptomen om een plaats binnen een tweedelijns instelling (en ook een derdelijns instelling) te waarborgen.

Uit de laatste onderzoeksgegevens van Dorine Bauduin van het NCGV blijkt weliswaar dat vrouwen psychisch niet zieker zijn dan mannen, (en zoals u weet is ook op een RIAGG de man-vrouw verhouding nagenoeg gelijk), er blijkt echter wel degelijk sprake te zijn van kwalitatieve verschillen. Zoals b.v. het gegeven dat vrouwen grosso modo twee maal zoveel depressief worden dan mannen, en dat bij mannen er eerder sprake is van psychotische en asociale problematiek.
Een tweede hier nog te noemen argument om de VHV een inhaalmanoeuvre te laten maken t.o.v. andere, reeds langer bestaande methodieken, is de maatschappelijke beweging van de vrouwenemancipatie en de hiermee samenhangende groei van het aantal cliënten met behoefte aan deze werkwijze.

Definitie
Nu zou ik met u weer terug willen komen op de vraag: Wat is VHV en is er tot een definitie te komen?
Hoewel de term VHV een overkoepelende term is geworden voor diverse geestelijke gezondheidzorgactiviteiten, kan men in z'n algemeenheid nog steeds vertrekken vanuit de definitie die in het rapport uit 1982 van de hoofdinspecteur voor de geestelijke volksgezondheid mevrouw Verhagen, wordt genoemd. Hierin wordt gesteld, dat VHV gekenmerkt wordt door het feit dat in de eerste plaats klachten en problemen van vrouwen in verband gebracht worden met haar socialisatie en maatschappelijke positie, en dat in de tweede plaats de daaruit voortvloeiende therapieën speciaal gericht zijn op emancipatoire veranderingen.
In feite betekent dit wat betreft het eerste punt, dat psychosociale problemen die voortvloeien uit sociale configuraties niet verder geïndividualiseerd worden. En wat betreft punt twee, dat er gekozen wordt voor emancipatie en niet voor aanpassing aan een sociale structuur waarvan juist gebleken is, dat deze ziekmakend is voor de betreffende cliënte.

Wij zouden VHV kunnen onderscheiden in niet-sekserol bevestigende hulpverlening en vrouwenhulpverlening in engere zin.
Niet sekserol bevestigende hulpverlening, ook wel niet-seksistische hulpverlening genoemd, kan uitgevoerd worden door vrouwelijke en mannelijke therapeuten, die bewust gewerkt hebben of werken aan hun eigen sekse-socialisatie en kijk op de andere sekse. Deze hulpverlening is geschikt voor vrouwelijke en mannelijke cliënten.
Want uit de praktijk van de geestelijke en somatische gezondheidszorg, en niet te vergeten het justitiële kanaal, blijkt, dat ook mannen kunnen lijden of anderen laten lijden aan een stereotype socialisatie tot man. Dit zou mogelijk deels de verklaring kunnen vormen voor het netgenoemde onderzoeksgegeven, dat vrouwen gemiddeld psychisch niet zieker zijn dan mannen, maar dat er wel sprake is van kwalitatieve verschillen tussen beider symptomatologie.
Zo zie ik bij mannen o.a. vaker hypochondere klachten en de al eerder genoemde psychotische problematiek optreden; ook problemen van homoseksuele mannen die voortvloeien uit de heteroseksueel gerichte samenleving hangen hier mee samen.

Vrouwenhulpverlening in engere zin kan worden gezien als een specialisatie binnen curatie, preventie of dienstverlening ten behoeve van vrouwelijke cliënten. Problemen van vrouwen worden systematisch bekeken in relatie tot haar socialisatie en maatschappelijke positie. Binnen de curatieve zorg wordt daarnaast gebruik gemaakt van specifieke vrouwenhulpverleningsmethodieken, die gezien hun aard (en daar kom ik zo op terug) uitsluitend bij vrouwen door vrouwen toegepast kunnen worden.

En mocht u, op dit punt aangekomen, enige weerstand in u zelf bespeuren omtrent het ideologische karakter van deze nieuwe methodiek-vorm, dan zou ik u willen vragen uzelf niet voor de gek te houden. Door de eeuwen heen is de interpretatie van afwijkend gedrag bepalend geweest voor de pogingen tot behandeling ervan. M.a.w. elke theorievorming wordt geboren in een bepaalde historisch-culturele context, en welke therapievorm daar dan ook uit voortvloeit, deze kan per definitie niet waarde- of normvrij zijn.

Specifieke kenmerken VHV in engere zin
Ik wil nu achtereenvolgens de specifieke kenmerken van VHV in engere zin behandelen w.b. de theorievorming, de diagnostiek c.q. de intakeprocedure, de methodiekontwikkeling en de houding van de therapeute. Ik zal mij in het verhaal, i.v.m. de beperkte tijd, bijna uitsluitend richten op de Volwassenenzorg tot 65 jaar en pas in tweede instantie enkele zinnen wijden aan de Jeugdzorg en de Geriatrie.

Om te beginnen iets over de theorievorming:
Deze is in volle gang en wordt voor een belangrijk deel nog bepaald door de bestaande theorieën op hun seksistische tendensen te bekritiseren. Joan Meyer heeft er in 1977 op gewezen dat veel psychologische theorieën gebaseerd zijn op onderzoek met voornamelijk mannelijke proefpersonen, terwijl zij pretenderen algemeen te zijn. Daarnaast is het zo, dat door de eeuwen heen de theorieën (meestal) geformuleerd zijn door mannen. Deze twee factoren samen zorgen m.i. voor het fenomeen waar Nelleke Nicolai in 1982 reeds op wees, dat er binnen de gevormde theorieën weinig tot geen termen aanwezig zijn voor vrouwelijke ervaringen.

Het is in deze lezing niet op zijn plaats om uitgebreid in te gaan op de kritische kanttekeningen die door feministische onderzoekers bij de verschillende theorieën gemaakt zijn. Men zou van deze theorieën globaal kunnen zeggen, dat deze kaders aanreiken om psychologische verschijnselen te verklaren; zonder dat zij echter naar sekse differentiëren.
Op een uitzondering na, n.l. de psychoanalyse, waarbinnen de ontwikkeling van individuen tot mannen en vrouwen wél centraal staat.
Echter, de vrouw wordt daarin gedefinieerd als een afwijking van de norm. Als incomplete man met afgunst wegens het ontbreken van een penis. Het 'Uber-ich' (het geweten en ik-ideaal) van de vrouw zou nauwelijks tot ontwikkeling zijn gekomen, met alle consequenties voor het 'ik' en zijn functie als regulator tussen het 'es' (het driftleven) en de buitenwereld.
Dat deze hypothese niet klopt met de huidige statistieken over psychische ziekten is duidelijk. Immers, uit onderzoek blijkt dat vrouwen meer aan neurosen (o.a. depressies) lijden; en om hier toe in staat te zijn moet je al beschikken over een behoorlijk niveau van persoonlijkheidsontwikkeling; en mannen meer aan psychotische problematiek lijden, waarbij juist sprake is van het ontbreken of falen van neurotische afweermechanismen.
Toch is het psychoanalytisch referentiekader een goede gebleken om als startpunt te dienen voor analytisch-feministische theorievorming (o.a.: N. Chodorow, 1980, J. Mitchell, 1981). Naast het kritische herbezien van de door Freud genoemde ontwikkelingsfasen, is met name op de pre-oedipale fase gefocused. Een van de belangrijkste ideeën is, dat de moeder haar op zich zelf lijkende dochter moeilijker loslaat in de separatie-individuatie-fase, dan haar zoon. Dit heeft belangrijke, deels negatieve consequenties voor de objectrelaties en het autonomieproces van de dochter.
Ik wil het hier verder bij laten en voor meer informatie verwijzen naar de diverse interessante literatuur die op dit terrein is verschenen.

Diagnostiek
Het volgende onderwerp waar ik het met u over zou willen hebben is de diagnostiek en de intakeprocedure. Als eerste wil ik noemen, dat bij de eerste aanmelding van een vrouwelijke cliënt (dus reeds door de telefoon) expliciet gevraagd moet worden of ze de voorkeur geeft aan een vrouwelijke of mannelijke therapeut.
De diagnostiek (ook de psychiatrische diagnostiek) wordt zoveel mogelijk interactioneel gedefinieerd, d.w.z. zowel naar belangrijke personen die cliënte’s socialisatie bepaalden en de huidige positie bepalen, als ook op basis van de interactie met de therapeute. In termen van DSM III zal er wat betreft de diagnostische assen I en II gepoogd worden minder te individualiseren.
Als psychiater ben ik realistisch genoeg om de endogene c.q. biologische factoren bij psychiatrische stoornissen, b.v. bepaalde psychosen, niet te onderschatten. Het blijkt echter dat de triggerende factoren die tot een nieuwe decompensatie leiden wel degelijk mede socio-cultureel bepaald worden. Ook de inhoud van b.v. de wanen en hallucinaties zijn socio-cultureel gekleurd en voor mannen en vrouwen verschillend. Zo zie ik tijdens een schizofrene schub van vrouwen nog al eens dat de wanen in de buik zijn gesitueerd. Mannen wanen eerder, dat er iets met hun ballen aan de hand is.

Qua klachten die eventueel in aanmerking komen voor methoden volgens de VHV kan b.v. gedacht worden aan:

  • afhankelijkheidsproblematiek, b.v. medicijnverslaving;
  • problemen met het zelfbeeld, zowel qua lichaam, als ook in psychologische zin;
  • problemen met eigen agressie, b.v. zich uitend in: depressiviteit en passiviteit;
  • problemen door agressie van anderen: b.v. zich uitend in seksueel geweld en bij incest;
  • problemen van lesbiennes die samenhangen met de heteroseksueel gerichte samenleving;
  • eetproblemen zoals anorexia nervosa en boulimia;
  • vage psychosomatische klachten;
  • problemen met scheiding en loslaten van kinderen etc. etc.

Bij bovengenoemde klachten moet er een relatie aangetoond kunnen worden tussen die klachten en de sociale positie als vrouw van de cliënte.
Hiervoor is nodig dat bij het afnemen van de sociale anamnese speciaal gelet worden op zichtbare en onzichtbare machtsverschillen tussen vrouw en man. B.v. qua economische positie, qua opleiding, qua taakverdeling, wie beslist wat etc. Bij grote machtsverschillen moet men extra alert zijn op machtsmisbruik en seksueel geweld.
Ook in de historische anamnese wordt speciaal doorgevraagd naar machtsverhoudingen binnen het stamgezin en de socialisatie dat het meisje daarbinnen doorliep. In het kader van het veelvuldig voorkomen van incest zal expliciet gevraagd moeten worden naar machts- c.q. seksueel misbruik door vader, broers etc., waarbij men gesprekstechnisch voorbereid moet zijn op ernstige verdringing.

Somatiek
Wat betreft as III (somatische as van de DSM III): deze zal ook uitgebreid moeten worden met speciale aandacht voor lichamelijke kwalen en traumata die cliënte heeft opgedaan aan haar vrouwelijke constitutie:

  • is er sprake van een premenstrueel syndroom?;
  • worden in die periode de psychosomatische klachten verergerd?;
  • hoe verliepen event. zwangerschappen en bevallingen en
  • was er sprake van een-postnatale depressie of psychose? etc.

Methodiekvorming
Nu zou ik u graag iets willen vertellen over de methodiek-vorming en de specifieke houding die hierbij van de therapeute wordt gevraagd. Ter illustratie zal ik daarna iets vertellen over de vrouwengroepen met psychiatrische cliënten die ik sinds 1982 begeleid.

We zouden tot nu toe de volgende kenmerken kunnen onderscheiden:
        - Ten eerste:
Het werken in groepen op basis van gelijksoortige ervaringen (de zgn. categorale groepen). B.v. t.a.v. identiteit, anorexia-nervosa, seksueel geweld etc.
Herkenning en gelijkwaardigheid zorgen dat de vrouw uit haar isolement wordt gehaald en zij binnen een niet hiërarchische relatie aan haar problemen werkt. Versterken van haar autonomie als vrouw in wisselwerking met andere vrouwen is het doel. De groepstherapie kan een meer open c.q. inzichtgevend of een meer gestructureerd c.q. gedragstherapeutisch karakter hebben, o.a. afhankelijk van de ik-sterkte, het type en de ernst van de symptomen en de draagkracht van het sociale netwerk waar cliënte uit afkomstig is.

Uit een vergelijkend onderzoekje dat ik in 1983 in Maastricht deed, blijkt dat er fundamentele verschillen bestaan tussen het groepsproces in een vrouwengroep en een gemengde groep. Om een aantal voorbeelden te noemen: De veiligheid en de cohesie van de vrouwengroep ontstaat, uitgedrukt in aantal benodigde sessies, twee maal zo snel als in een gemengde groep. Thema's samenhangend met intimiteit. waaronder seksualiteit, komen verbazend snel, soms reeds in de tweede sessie aan de orde. In een gemengde, ongestructureerde groep kan er wel een paar maanden over heen gaan, voor die besproken kunnen worden. Vrouwen zijn niet meer elkaars concurrent om de aandacht van de mannen, maar gaan direct de interactie met elkaar aan, waarbij ze meer mogelijkheid hebben elkaar te steunen.
Agressie blijft in een vrouwengroep vaak lang weg, en als deze opduikt is deze indirect. Als je nu als therapeut de hypothese hebt dat een gestoorde agressiehuishouding bij vrouwen een oorzakelijke factor is bij het veelvuldig voorkomen van depressies bij hen, kun je systematisch het groepsproces, op geleide van het angstniveau, sturen in de richting van meer directe agressie-uitingen, zonder natuurlijk de ander schade te berokkenen.
        - Ten tweede:
Ook typisch voor VHV is het gebruik maken van lichaamsgericht werk. De diverse methodes op dit vlak genieten de laatste tijd een hernieuwde belangstelling. Het lijkt logisch dat de vele lichamelijke klachten waarmee vrouwen kampen, ook een lichaamsgerichte aanpak behoeven.
De link naar de feministisch-analytische theorievorming is interessant. Men gaat hier, zoals ik net vertelde, o.a. uit van de hypothese dat veel autonomieproblemen waar vrouwen mee kampen, berusten op een vroege ontwikkelingsstoornis van het meisje. De behandeling die zich hier op richt, dient dan in ieder geval de mogelijkheid te bieden om de cliënte tot deze vroegkinderlijke (deels pre-verbale) fase te laten regrediëren. Het lichaamsgerichte werk geeft bij uitstek een mogelijkheid om cliënte ervaringen uit deze vroege fase te laten herbeleven en verwerken.
        - Ten derde:
Verder zou je kunnen stellen dat binnen een instituut als het Riagg gebruik gemaakt kan worden van diverse andere psychotherapeutische en sociaalpsychiatrische deeltechnieken. Zodra deze gehanteerd worden met specifieke aandacht voor de socialisatie tot vrouw en de huidige sociale positie van cliënte, tezamen met de specifieke houding van de therapeute, is er sprake van een VHV-methodiek.

Attitude
En wat is nu die specifieke houding die van de therapeute verwacht wordt?
Dit blijkt zowel in de praktijk, als ook in discussie met collega's een kwetsbaar onderwerp te zijn. Om u hier enig zicht op te geven, zal ik enkele verschillen schetsen tussen de houding van een feministisch therapeut in vergelijking met de houding van een hulpverlener die een andere therapievorm toepast. Naast verschillen, vind je tijdens de vergelijking zeker ook veel overeenkomsten. De karakteristieke combinatie van kenmerken tezamen met het gegeven dat de relatie tussen moeder en dochter in de overdracht sterk op de voorgrond staat, zorgt echter voor de specifieke houding van de vrouwenhulpverleenster.

I.h.a. zou je kunnen stellen, dat wij als therapeut, en m.n. degenen met een medische discipline, leerden dat deskundigheid mede ontstaat door objectiviteit. Door een zekere mate van afstand, zien we de problemen van de cliënten anders dan zijzelf. En door de theorievorming en behandelingsmethodieken die wij ontwikkelen weten wij zelfs meer dan zij; zodanig dat zij de hulpvragers en wij de hulpverlener kunnen zijn. Dit staat haaks op de houding van de rasechte vrouwenhulpverleenster.
Deze vertrekt vanuit de solidariteit en gaat uit van de deskundigheid van de vrouw zélf. Deze therapeute zal om haar ervaringsdeskundigheid als vrouw te delen met de cliënte veel van zich zelf laten zien. De niet-afstandelijke houding kan tot herkenning leiden bij de cliënte en haar het gevoel geven dat het niet alleen aan haar ligt dat ze in de problemen is gekomen.(Dit in tegenstelling tot de meeste psychotherapieën, waar juist steeds weer gefocused wordt op het eigen, neurotische aandeel in de problemen).
De therapeute zal zoveel mogelijk een niet-hiërarchische relatie stimuleren. De macht die zij als deskundige heeft, wordt daarom geëxpliciteerd. Zo nodig geeft zij informatie over (veranderingen in) haar normen- en waardensysteem.
Verder bevordert zij een demystificatie van de gebruikte technieken en theorieën. Een feministisch therapeute stelt zich dus open op, zowel wat betreft zichzelf als ook wat betreft de door haar toegepaste therapie.
Deze openheid is echter op een andere basis gestoeld dan b.v. de openheid van een klassieke rogeriaan. Vertrekt de laatste vanuit het positieve therapiebeeld dat m.n. de niet-moralistische en onvoorwaardelijke acceptatie van de cliënt tot de corrigerende ervaring en een persoonlijkheidsgroei leidt; dan lijkt de feministisch therapeute hierin pessimistischer, zo u wilt realistischer, te zijn. Zij is als het ware bevooroordeeld door de visie met betrekking tot de sekserollen en doet in de therapie ook iets met deze informatie, waarbij zij zo nodig directief is.

Als wij de houding van de feministisch therapeute vergelijken met b.v. die van de klassieke psychoanalyticus, dan hoeft de therapeute in eerste instantie niet zo bang te zijn dat cliënte’s behoeftes bevredigd worden, in tegendeel. Het postulaat dat therapeutische frustratie van behoeftes een groter zelfinzicht oplevert, gaat misschien nog wel op, maar ik vraag mij af of dit wel altijd tot voldoende emotionele verwerking van de traumatiserende ervaringen leidt.
Binnen de therapie die mijn collega's en ik toepassen, proberen we een corrigerende ervaring naast de traumatiserende belevingen te zetten. Dit maakt en de pijn van het ooit opgelopen gemis duidelijk, en het werkt troostend, zodat cliënte haar pijnlijke ervaringen durft te gaan onderzoeken.
Deze niet-frustrerende therapie leidt in de meeste gevallen onvermijdelijk tot afhankelijkheidsverlangens. Cliënte wordt juist aangemoedigd om hiermee naar buiten te komen, waardoor zij zich kan bevrijden van het schuldgevoel waarmee deze verlangens beladen zijn.
In tweede instantie zal de therapeute echter de separatie-individuatie en de onafhankelijkheid van de vrouw dienen te stimuleren. Want in een ongedifferentieerde wij-relatie kan de cliënte, zoals haar reeds met haar moeder overkwam, in haar ontwikkeling blijven steken.

Flexibiliteit
Als ik mijzelf als vrouwenhulpverleenster zie functioneren, moet ik tot de conclusie komen dat ik niet altijd even zuiver in de leer ben. In wezen komt het er op neer, dat de grote diversiteit aan problematiek m.i. om een flexibel aangepaste houding vraagt. Zo zal ik m.n. als het ernstige psychiatrische problematiek betreft eerder ook van mijn afstandelijke deskundigheid gebruik maken. Een prima manier om uit dit spanningsveld van enerzijds psychiater en anderzijds vrouwenhulpverleenster zijn te komen, is het werken met groepen. Ik zal u hier nu iets over mijn vrouwengroep vertellen.

Vrouwengroepen
In de vrouwengroepen die ik sinds 1982 begeleid, zitten cliënten met sociaalpsychiatrische problematiek. Dit type cliënten wordt o.a. gekenmerkt door een of meer van de volgende factoren:

  • cliënten die reeds een lange hulpverleningsgeschiedenis achter de rug hebben;
  • niet met een methodiek te vangen zijn;
  • weinig sociale vaardigheden bezitten;
  • uit een kwetsbaar sociaal milieu komen;
  • weinig opleiding hebben;
  • zwakke ik-grenzen hebben, etc.

Bovendien is uit de intakefase gebleken dat deze cliënten, die vaak uit milieus komen met een vrij rigide normen- en rollenpatroon, knel zitten in hun positie als vrouw; en dat er een zekere relatie bestaat tussen die positie en de klachten.
Je zou kunnen stellen dat deze groep vrouwen de keerzijde van de YAVIS-populatie vertegenwoordigt. Bij dit type cliënten zullen normaliter vaak contra-indicaties gevonden worden om tot ambulante groepstherapie over te gaan. Het feit dat er alleen vrouwen in de groep zitten met herkenbare problemen, zorgt ervoor dat ondanks een hoog angst- en spanningsniveau, een groepscohesie tot stand komt die voor vertrouwen, openheid en intimiteit zorgt.

Eclectisch
De methodiek die ik samen met mijn collega (Agnes Scholten) in de groep toepas, is eclectisch. Zijn er aan het begin van het blok (dat uit 12 groepsbijeenkomsten bestaat) nog al wat nieuwe cliënten bijgekomen, dat wordt er van de therapeuten in de beginfase een zeer actieve houding verwacht. Er wordt informatie verschaft over de regels, de normen, de werkwijze en het doel van de groep. Er worden afspraken gemaakt met de cliënte en de huisarts over medicatie en het gaan naar andere specialisten en therapeuten. Verder worden er huisbezoeken tussendoor afgelegd n.a.v. crisistelefoontjes; en indien nodig vindt er een echtpaar- of gezinsgesprek plaats naast de groepsbijeenkomst. In deze fase maken de cliënten kennis met elkaar en geven de therapeuten, gezien de achterstand van de vrouwen 'nascholing' in het leren reflecteren op problemen.
Na 4 of 5 sessies, gaan we meer en meer over tot het stimuleren van de interacties van de cliënten onderling, om met behulp van elkaar gevoelens bewust te worden en ze te leren uiten. De cliënten leren naar het voorbeeld van de therapeut elkaars co-therapeut te zijn. In tegenstelling tot de meeste andere groepstherapieën binnen het RIAGG., bevorderen wij dat de cliënten elkaar zien en steunen búíten de groep. De crisistelefoontjes en huisbezoeken verschuiven langzaamaan naar de cliënten onderling.

Naast het gebruik maken van een interactioneel model, maken wij ook gebruik van gedragstherapeutische interventies. Als een cliënte zich eenmaal bewust is van een gefixeerde positie, mist zij vaak nog de vaardigheid om een andere positie uit te proberen. Middels inoefenen en rollenspelen à la Goldstein, eerst in de groep en later in de thuis c.q.- werksituatie, wordt geprobeerd nieuw gedrag aan te leren en hier aan te laten wennen.
Het lijfwerk, in de vorm van ontspannings- en bio-energetische oefeningen, is een vast en geliefd onderdeel aan het begin en het eind van de twee uur durende sessie.
Verder komt aan het eind van de groepsbijeenkomst het medicatiegebruik aan de orde. Hoewel ik uiteindelijk als deskundige het wel of niet voorschrijven en de dosering bepaal, train ik de cliënten om dit zelf en met elkaar te kunnen, zodat ik steeds meer slechts uitvoer wat zij beslissen. De cliënten kunnen wat betreft het gebruik van tranquillizers zeer streng zijn naar elkaar en vaak hoor ik b.v. iets zeggen als: ‘Zeg, gebruik jij nog zoveel temesta? Maar waarom vertel je dan niet in de groep waarom je zo bang bent?’
Deze 'weight-watchers'- methode leidt, nadat de groepscohesie stevig genoeg is, vaak in korte tijd tot een sterke daling van het medicijngebruik. W.b.t. het gebruik van antidepressiva en m.n. anti-psychotische medicatie, geef ik informatie over de werking en de gebruiksduur, en stimuleer zo nodig juist de therapietrouw.
Ik zie medicatie dus niet als een patriarchaal symbool dat per definitie taboe is binnen de VHV. Het (liefst tijdelijke) gebruik is echter niet bedoeld om cliënte te verdoven, zodat zij het langer uit kan houden in een voor haar ziekmakende positie. Neen, deze medicatie heeft als doel ik-versterkend en of realiteitszin-verbeterend te werken, om cliënte beter in staat te stellen het werk dat nodig is voor haar emancipatieproces, te kunnen verzetten.

Rendement
Tot nu toe heb ik op deze manier 50 vrouwen met veel plezier en met veel respect voor hun kracht en doorzettingsvermogen behandeld. Het rendement is, ook op langere termijn; uitgedrukt in vermindering van lijdensdruk, medicijngebruik en aantal opnames, zeer hoog.
Een aantal vrouwen gaan na soms twee jaar therapie op eigen kracht verder. Andere vrouwen hebben er een goeie vriendin aan over gehouden en nog weer anderen hebben met z'n vieren een soort zelfhulp-groepje gevormd.

Tot slot
Tot slot wil ik nog enkele zinnen wijden aan de Jeugdzorg en de Geriatrie.
In eerste instantie klinkt een relatie tussen VHV en hulpverlening aan kinderen wat onwennig. Immers, het kind wordt als cliënt aangemeld en mocht de moeder met typische vrouwenproblematiek kampen, dan kan zij voor zichzelf doorgestuurd worden naar de volwassenenzorg.
Toch is het m.i. nodig dat een plaats voor VHV binnen de Jeugdzorg nader onderzocht wordt. Want juist binnen de jeugdzorg kan gewerkt worden aan het voorkomen van vrouwenproblematiek. Immers in de jeugd wordt de basis gelegd voor de sekserolsocialisatie, dus ook de hiermee samenhangende vrouwenproblematiek. Ook de vroeg-diagnostiek en -behandeling van seksuele mishandeling van kinderen (waarvan de meesten meisjes zijn) kan hieronder vallen.

Wat betreft oudere vrouwen, boven de 65 jaar, deze hebben een dubbele achterstand, omdat ze oud zijn en vrouw zijn. Driedubbel, omdat ze eigenlijk ook geen vrouw meer zijn, niet meer beantwoorden aan het ideaalbeeld van de vrouw: mooi, seksueel aantrekkelijk en dienstbaar (citaat van E. Kramer in het tijdschrift 'Leeftijd'). Uit de praktijk van de VHV blijkt, dat o.a. het werken met groepen oudere vrouwen die in een sociaal isolement verkeren, tot herkenning en solidariteit leidt, die een bron van vitaliteit kan gaan betekenen. En juist dit aanboren van de kracht van vrouwen is de belangrijkste pijler van VHV.
Ik zou het hiermee graag af willen sluiten en u willen bedanken voor uw luisterend oor.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *