Tagarchief: Gedichten Cala Rus

Woorden

WOORDEN

Door het regenwoud geregen klaagt
de uil in een kruin lange klamme nachten
ijl van toon de dood aan

Onder een dak in de stad van vrede en recht klaagt
de uil in torenhoge stapels stukken
mensen die het klamme hout kappen aan

Kappende mensen klappen en klappen
of een uil wel wijs is en
klappen voor zichzelf als wijzer

Als hun toren van Babel omver wordt geblazen
rollen mensenwoorden kakelend de trappen af:
struikelen over elkaar
als in een drukke winkelstraat

De uil vliegt moegeroepen in de vleugels
van de nachtelijk aangeklaagde dood:
de gum, deleteknop en
versnipperaar:

Schrap, schrapte, geschrapt
wit, witter, gewit
stil, stiller, gestild
leeg, leger
(strijdbijl begraven)

Rust

Bijna evenbeeld

BIJNA EVENBEELD

Heeft hij spijt?
Spijt dat hij mensen schiep
ter verdrijving van zijn eenzaamheid?

Met verkrampte nek op zijn troon gezeten
waagt hij te waken over evenbeelden
uitdijend in tal van zucht:
beelden die rücksichslos in koppen hakken,
roetdeeltjes trekken in zijn klare lucht.
Heeft hij spijt?

Had hij mensen maar uit stukjes hemel gemaakt,
een zon met stralen boven de wei getekend,
en niet uit stukjes koud heelal
van ver na de oerknal
zodat entropie zijn kudde wettig
uitéén kon drijven
in vreemden en geweld

Is het hem daarom te doen:
om zijn zelf gevonden woord barmhartigheid?
Schiep hij hen net even anders dan zijn evenbeeld
opdat ze zouden lijden
en hij door geboorte in het vlees kon mede lijden
op zoek naar waarheid?

Wist hij waaraan hij begon toen hij na alle zeeën, meren,
landen in miljarden kleuren, algen, vissen, beren,
apen in vele soorten, het mensenkind ontwierp?
Wist hij dat het van die boom zou snoepen
waardoor zijn hoofd ging groeien:
goed en kwaad kon wegen
zonder veel geweten?
Stuurde hij het daarom uit zijn paradijs?
Heeft hij spijt?

Mensen vragen in hun schiet- en andere gebeden
troost.
Wordt het niet eens tijd hèm te troosten?