Tagarchief: Gedicht Carla Rus

Gesluierde monoloog

GESLUIERDE MONOLOOG

Dronken van mijn dans
voor jou
wikkel ik mijn onstuimige zee
in jouw lakens, vlij mij op je tapijt
verwarm mij geknetter van je vuur

In mijn sappen drijven vragen boven
waarom mijn schijn schoon gevonden wil wensen
waarom niet – net als paradijsvogels pauwen merels
dit overlaten aan jou mijn liefste

Je geeft me cadeau’s, naakt me jouw borst
die ik op mij wil drukken:
verlangen naar kriebels tussen
heet hard en fluweel

Tot zover rijmt de natuurwet

Maar waarom liggen mijn kleurige veren wild verspreid
over je vloer en zwijgt mijn adem zwoegend na
mijn marmottengekrijs?
Moet ik mij zorgen maken dat mijn mascara
of jij uitloopt naar een ander liefje misschien wel vier?
Hebben mijn borsten wel jouw maat
mijn billen rond genoeg?

Overdag loopt mijn fluweel in schutskleuren rond:
je vertrouwt je maten niet, kent jezelf
Mijn hals oren polsen enkels zijn geboeid
door jouw bandeloze lusten

Buiten mag ik niet versieren
dat doe jij
Maar ik mag ook niet kiezen
zoals de vogels
dat doen de families, dat doe jij

Dit rijmt niet met de natuurwet
voor geen sier

Hoort, het dondert in de verte mijn liefste
er is onweer op komst

Gebed van een ongelovige Thomas

Gebed van een ongelovige Thomas

Wanneer je bent als duizend draden licht
een veld met stippen paars en wit
violieren in mijn ogen spelen
wil ik je geloven

Maar als u rechter zonder moeder bent
kleuren uw wateren koud en blauw
in zonnestelsels zonder herberg

Wanneer je bent als warme nevel
die streelt van mens tot mens tot kever
potvis paard en poes wil ik je geloven
Wanneer je bent als dartelende vlinders
die onze geuren als lavendel speuren
wil ik aan je ruiken

Maar als u na schepping van uw driften
ons rubriceert in hel en hemel
koersen we onder het billboard
JEZUS REDT
schel schietend onze snelweg

Wanneer je bent als zeventig fonteinen
die mijn eeuwenlange loden lijnen
wassen wil ik je geloven
Wanneer ik niet alleen met pijnen
mijn kinderen mag baren
maar zowel genieten van mijn snaren
ook

Maar als u één kind uitverkiest in uw woestijn
met keppels kruizen sluiers wielen vlagt
worden onder het luid geschal
ALLAH IS GROOT
hoofden afgehakt

Geloof me:
wanneer je ons klein als mieren houdt
vergeet je dat wijzelf na slikken van slang
en vrucht je paradijs verruilden voor het zout
waarmee we goed van kwaad kunnen scheiden
toon je mij slechts een sleets tapijt

Niet dat ik je niet begrijp
Ook ik moet mijn kinderen loslaten
hun eigen fouten laten snoeien
hen overdragen aan de sterren tot
ze misschien in de hemel groeien
dat iets wat ik heb gezaaid
geoogst wordt op tijdstip X
licht na mijn dood
of niks

Wanneer je bent als vluchten vogels
die mij met zwermen tere vleugels traag
het grote water overdragen
verblindt jouw aangezicht mij niet
omdat mijn ziel
je kent

Dan ben je een zee aan piano fluiten snaren
ben je het zachte vuur van gouden draden
waarmee je fijne huiden samenweeft
Overweeg ik zonder zeker weten
aan het eind van alle dingen
een enkele reis op je tapijt
dat ik een vonk ben
van jou

Carla Rus, april 2006

Ons weggetje

Ons weggetje

mijn schaduw strijkt met kortgeknipte nagel
over het paradijs, prikt gretig in Adams navel:
– kijk, het oude weggetje voor bloed en brood

– dat is er bijgetekend. voor kinderen

– dan is Adam niet de eerste mens

– (je hebt een kunstgebit. vroeger trokken ze al je goeie tanden,
dat waren nieuwe inzichten)

jouw streng gesteven schort die mij met Persilwit
wil verblinden draait zijn strak gekruiste banden in mijn blik.
achterwaarts grijpt jouw waarheid mij bij de keel:
– Adam is de eerste mens, geschapen naar Gods beeld

ik roep tegen jouw schoon weglopende strik:
– dan heeft God ook een navel en een heuse moeder.
niet Maria. die is alleen van het kind

je maar ketst tegen de kolenkachel en stoot via jouw
kwetsbare moederheupen mijn gehoorgangen binnen.
je kind toch bereikt me via de klok op de schouw
en golft over je stralende band naar me toe

Ik vraag me af of ik je pijn doe

maar ik weet met heel mijn kleine leven
dat jij de springplank wil zijn tot mijn grote leven:
– dat van die rib geloof ik lekker ook niet

je laat me niet los.
vanuit de hemel zit ik vast aan ons weggetje
zo lang als het oudste epos.
bij de juiste afslag heb je met een engel die ik vaag ken
een wegwijzer geplant zo groot als de Melkweg

Heksenboter

HEKSENBOTER

wil ik dit wel weten?
ja ik wil alles weten, alles begrijpen:
hoe corrosie ontstaat, donderkoppen op elkaar knallen
en niet meer in Wodan geloven

mijn hersencellen
begeren die glibberige gele heksenboter:
lichtorkest zonder Dirigent,
te begrijpen.
ik ben een grote meid

zo vrij wil ik zijn dat ik uit mezelf
naar havermout toegroei

en als ik door paden in vreemde pakhuizen zwerf
die ik herken van vorige niet afgemaakte dromen
met meer dan menshoge blikken selfies,
wil ik de koektrommels uitpakken voor antwoorden.
bij mij geen verlangen te verdwalen
maar honger te vinden

maar wil ik weten
of in experimenten kwetsbare koppen
van aaibare hamsters op elkaar knallen:
in molens worden vermalen om signaalstoffen
van overleden angst te wegen en te meten
opdat ik snap wie ik ben?

Steen der wijzen

Steen der wijzen

Er is niets dat zo sterk bindt als verdriet,
of het moet liefde zijn
Maar die kan na de eerste sprint
alleen voortkuieren als verdriet om de hoek woont

Krijgt verdriet een straatverbod
dan verliest liefde zijn sleutel en breekt
misschien de ware op

Dus vraag bij liefde verdriet
op de thee (met bijvoorbeeld speculaasjes),
de koffie (zo gewenst met chocola),
de borrel (met muzieknootjes),
de maaltijd (met minstens drie diepgangen) en
verover elke lekkernij met aandacht

Het mag een lat blijven
maar wel van echt hout

Bijna evenbeeld

BIJNA EVENBEELD

Heeft hij spijt?
Spijt dat hij mensen schiep
ter verdrijving van zijn eenzaamheid?

Met verkrampte nek op zijn troon gezeten
waagt hij te waken over evenbeelden
uitdijend in tal van zucht:
beelden die rücksichslos in koppen hakken,
roetdeeltjes trekken in zijn klare lucht.
Heeft hij spijt?

Had hij mensen maar uit stukjes hemel gemaakt,
een zonnetje boven de wei getekend,
en niet uit stukken koud heelal
van ver na de oerknal
zodat entropie zijn kudde wettig
uitéén kon drijven
in vreemden en geweld

Is het hem daarom te doen:
om zijn zelf gevonden woord barmhartigheid?
Schiep hij hen net even anders dan zijn evenbeeld
opdat ze zouden lijden
en hij door geboorte in het vlees kon mede lijden
op zoek naar waarheid?

Wist hij waaraan hij begon toen hij na alle zeeën, meren,
landen in miljarden kleuren, algen, vissen, beren,
apen in vele soorten, het mensenkind ontwierp?
Wist hij dat het van die boom zou snoepen
waardoor zijn hoofd ging groeien:
goed en kwaad kon wegen
zonder veel geweten?
Stuurde hij het daarom uit zijn paradijs?
Heeft hij spijt?

Mensen vragen in hun schiet- en andere gebeden
troost.
Wordt het niet eens tijd hèm te troosten?

 

 

 

BRIEFJE VOOR DE WEDUWE

Briefje voor de weduwe

Je vleugels zijn nog nat van hagel.
hun putjes schroeven jou in de nachten

tussen veren vol overleden lust
vast aan het ijzeren geraamte. verveloze
nagels schrapen in het koude laken,
arthrotische gewrichten krommen zich
vergeefs dicht

Wordt het dag, dan knijpen je ogen
tegen kleuren die een hels kabaal slaan
op bekkens vol gegrift geheugen

Jij engel zorgde voor zijn krimpen en kruipen,
droeg de lichtlantaarn in zijn duistere ruimte,
viel diep met hem mee in Wonderland

maar dan zonder wonderen

Ontkleed van alle hemden heeft hij vanaf zijn
zwoegende stoomboot naar je gezwaaid.
hij verzocht de grote overtocht, zei hij,
zag de lichte ruimte al van ver.
de deeltjes die uit zijn ogen straalden
prikten in de jouwe

Jullie kind en jij lagen aan zijn
magere weerskanten als een koor:
ga maar,
vierden zijn navelstreng

Nu lig je alleen in jullie spijkerbed

Maar een engel is nooit zonder moederziel,
al is haar schare in het duister
slecht zichtbaar,
slechts voelbaar

Dus vlieg op jouw tijd met je vleugels zo moe
naar ons toe.
wij kennen zijn beelden, woorden, stiltes al eeuwen,
wachten opengespreid op je krassen

Carla, 25 mei 2015

TEDERE MEESTER

TEDERE MEESTER

Haar beeld rustte al tijden voor zijn beitel,
vijl en schuurpapier
in de eeuwen en zijn ziel

In de navel van de wereld schuurden schollen
met geweld tegen elkaar:
breuklijnen en bergen
schiepen diep in de aarde
in heilige hitte
het witte
goud

Zwaar en ruw is de steen,
in zijn binnenste wacht het breekbare beeld

Hij hakt als een god met teder betoomde kracht
zodat hij de natuur niet verkracht:
zijn baring breekt binnen breuklijnen
verlangend naar haar contouren

Over zijn gezicht stromen parels in prikkelend zout
als hij haar vormen vijlt en polijst
van grof naar verfijnd
van groeven naar poeder dat kleeft in zijn haren.
na duizend nachten verzacht hij het schuren in water
waardoor haar huid als glas gaat glanzen en tranen,
in grijze parels afglijdt

Zijn knoestige hand ligt op haar gladde ronding
als na een orgasme aan de monding
van de rivier ontsprongen in de bergen van Carrara.
vingers tasten de kleine krassen van zijn naam
in haar geschiedenis

 

 

Vogeltroost

Vogeltroost

Zit jij bij toeval pal voor haar raam
uit rode borst haar vol de hemel in te zingen,
bij toeval op die wankele tak
terwijl zij huilend op de pot zit?

Met plié pasjes is zij er naar toegeschuiveld
waarna ze als mislukte ruimtevaartcapsule
is geland. Nu weet ze het zeker:
ze wil naar huis

De klok achter haar tikt elke seconde lief
dichterbij. Hoe had zij ooit kunnen
verdichten dat een mens zoveel pijn
in één enkel lichaam
in één enkel leven
zou kunnen herbergen:
nek, neus, handen, voeten,
tenen, benen,
jaren

En nu ben jij kleine roodborst rechtstreeks
van boven naar haar toegevlogen
Maar je zingt niet: kom maar ik neem je mee,
nee, je zingt het lied van de spartaan:
Ik kan niet verder. Ik ga verder

Hoe dúrf jij eigenlijk kleine vogel om haar
– al eeuwen in een gouden kooi opgesloten,
in haar donkerste uur op klaarlichte dag
aan te sporen
Waarom juist zij?

Toch weet zij door een lichtflits gebeten plots zeker
dat jij niet bij toeval pal parmantig – alle
statistieken ten spijt – voor haar zit en zonder
vijgentakje vrede met haar leven leidt
Dat ene

Carla, 2005