Tagarchief: Carla Rus gedichten

Zielenknijper

ZIELENKNIJPER

Gek ik heb je nodig: als jij het bent,
ben ik het niet. Maar blijf ver van mij,
ons scheidt slechts een gevelde boom
of een zieke tak in de familie.

Mijn profiel op facebook kent je niet,
maar als ik in je onweer mag kijken kan ik
mezelf lijken, kan ik me spiegelen
in een druppel die afglijdt van je boom.

Om mezelf te dekken, zet ik je achter tralies:
smeedwerk van symptomen en syndromen
met scheuten statistiek die je wortels geleerd
begraven dat ik je diepgang minder zie.

Geef nooit op, breek de loep in de herfst niet
in duizend druppels tussen knisperende bladeren
die mijn kant opwaaien dat ik mezelf duizend
keer zie. Klamp je vast aan iedere stengel,

aan elke knop van lentebloem of blad
en denk aan mij:
elke zielenknijper wil zijn kerkhof klein.

Hoe oud

HOE OUD

De vrouw mijmerde bij maanlicht over haar geleefde
leven en of dit toereikend was om te gaan.
Dat deed ze ook overdag, maar dan vervaagde
het licht de scherpe lijnen in haar vraag.

Door heftige stormen was zij mensen verloren
waar zij zich aan vast had gehouden. Niet om op hen
te leunen, maar om haar evenwicht te houden.
Ook knarsten haar knokkels door langdurige droogte.
Maar was dat genoeg?

Ze besloot te wachten tot de zintuigen aan haar buitenkant
zouden verstoffen en de poort tot haar geestesoog
open zou gaan,

te wachten tot de lichtgevoelige cellen van haar binnenkant
zouden zien hoe talrijke vogels op het eeuwige ritme van eb
en vloed in golven aan komen zwermen

om zich over een oude merrie te ontfermen
in haar laatste rui; haar versleten paardenharen als best
te gebruiken voor hun nieuwe nest.

Dan kon ze geruisloos haar hemd zonder zakken
pakken en wegvliegen.

Pijnboom

PIJNBOOM

Pijn onderscheiden van wat geen pijn is maar
zingende herinneringen die
in zwermen lentes
vervlogen zijn

Pijn onderscheiden van wat geen pijn is maar
haar spiegel die in
duizend beelden breekt tussen
blozende bladeren

Heeft iemand haar ooit beloofd dat haar vuur
niets zou verbranden:
haar schone lijf tot sintels zou sissen,
haar rijke rokken verscheuren,
haar arme ziel kraken?

Haar knisperende pad kronkelt
haar bestemming ongewis.
de meidoorn schetst haar welwillend voor
hoe hij wordt gesnoeid
opdat hij groeit

Merels jubelen tussen haar roze bloesems
net zo bedwelmend als duizend lentes verstreken
hun liefdeslied

Durft zij te horen dat haar eigen geurende golf
haar eigen ooit sappige vlees vervangen
wordt door een naderende vloed
in de eeuwige rimpeling
van één enkele zee:
één paringsdans?

Zij is bijzonder houdt ze zich voor, ze kàn het:
onderscheid maken.
de nachtegaal
lokt