Ons weggetje

Ons weggetje

mijn schaduw strijkt met kortgeknipte nagel
over het paradijs, prikt gretig in Adams navel:
– kijk, het oude weggetje voor bloed en brood

– dat is er bijgetekend. voor kinderen

– dan is Adam niet de eerste mens

– (je hebt een kunstgebit. vroeger trokken ze al je goeie tanden,
dat waren nieuwe inzichten)

jouw streng gesteven schort die mij met Persilwit
wil verblinden draait zijn strak gekruiste banden in mijn blik.
achterwaarts grijpt jouw waarheid mij bij de keel:
– Adam is de eerste mens, geschapen naar Gods beeld

ik roep tegen jouw schoon weglopende strik:
– dan heeft God ook een navel en een heuse moeder.
niet Maria. die is alleen van het kind

je maar ketst tegen de kolenkachel en stoot via jouw
kwetsbare moederheupen mijn gehoorgangen binnen.
je kind toch bereikt me via de klok op de schouw
en golft over je stralende band naar me toe

Ik vraag me af of ik je pijn doe

maar ik weet met heel mijn kleine leven
dat jij de springplank wil zijn tot mijn grote leven:
– dat van die rib geloof ik lekker ook niet

je laat me niet los.
vanuit de hemel zit ik vast aan ons weggetje
zo lang als het oudste epos.
bij de juiste afslag heb je met een engel die ik vaag ken
een wegwijzer geplant zo groot als de Melkweg

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *