Lezing seksueel misbruik en de Onzichtbaarheidsmantel

Lezing Seksueel misbruik en de Onzichtbaarheidsmantel

Lezing voor bestuurders en management van de jeugdzorg (Rotterdam en omgeving), 26 september 2013 en tekst van de lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg.

Feike Santbergen

[fve]https://youtu.be/w89Oh2qnMgw[/fve]

Tekst bij deze lezing

SEKSUEEL MISBRUIK EN DE ONZICHTBAARHEIDSMANTEL

Even voorstellen:

Ik ben Carla Rus en heb 30 jaar als psychiater met seksueel misbruikte kinderen en volwassenen gewerkt.

In mijn verhaal over het misbruikte kind wil ik u uitnodigen om samen met dit kind de volledige weg af te leggen van zijn ouderlijk huis naar de poort van het 'Huis voor de Jeugd', zijn ontvangst aldaar, de gang die het kind vervolgens maakt door het gangenstelsel van jeugdzorg, om uiteindelijk terecht te komen in de achterkamer: de residentiële instelling.
Ik begin dus niet aan de achterkant, maar aan de vóórkant van het misbruikverhaal. Want bij seksueel misbruik binnen jeugdzorg gaat het meestal om een recidief, waarbij het eerste misbruik veelal in eigen familiekring plaatsvond. Hier zijn jeugdzorgwerkers in de achtervertrekken vaak niet van op de hoogte, omdat het niet in het dossier staat.
Daarom ga ik terug in de tijd, toen het kind nog met zijn ouderlijk gezin in een "gewoon" huis woonde.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg 2013

Figuur 1.
Achter de voordeur van dit gewone huis, woont een kind dat niet alleen wordt verzorgd, maar inruil hiervoor ook wordt gebruikt als een sekspop: een ding om eigen behoeften op te bevredigen.

De dader, bijvoorbeeld de vader of een oom, bouwt de misbruikrelatie vaak sluipenderwijs via ingenieuze verleidingstechnieken op - waarbij het kind in het begin vaak geen idee heeft wat het overkomt en uit behoefte aan affectie argeloos in zijn strikken trapt.
Wanneer het kind zich eenmaal bewust wordt dat er iets verbodens gebeurt, is het vaak al zover ingezogen en medeplichtig gemaakt, dat het niet meer terugdurft. En als het toch tegensputtert, zet de dader het kind onder druk om te zwijgen en zegt dingen als: "Als je het tegen mama vertelt, ben jíj er de oorzaak van dat de familie uit elkaar valt!"

Aldus wordt het kind samen met de dader in een cocon opgesloten, afgesneden van de rest van de wereld.

Het eenzame kind krijgt in het geheim soms zoveel angsten te verduren, dat zijn geest een list verzint. Die geest splitst dan als overlevingsstrategie: emoties, cognitie's en gedrag - samenhangend met het trauma, in aparte stukjes op, en bergt deze op gescheiden plekken in het geheugen op.
Soms laat de geest het bewustzijn betreffende het trauma zelfs helemaal verdwijnen.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg

Figuur 2.
Je kunt dit laatste vergelijken met de tovertruc van Harry Potter met de "onzichtbaarheidsmantel". Wanneer de "Heer van het Duister"- wiens echte naam niet genoemd mag worden - hem bedreigt, gebruikt Harry Potter deze mantel om onzichtbaar te worden.
Die onzichtbaarheidsmantel heeft bij ons de wetenschappelijke naam dissociatie.

Deze verhullende mantel - oftewel dissociatie - beschermt het kind, maar belemmert ook zijn zicht op de realiteit. Hierdoor kan het gemakkelijk op zijn levenspad verdwalen.
Wees niet gerust, het gaat niet om een kleine groep van dit soort verdwaalde kinderen. Volgens prevalentiecijfers die tot stand zijn gekomen via zelfrapportage, wordt bijna 10 procent van de kinderen en jongeren onder de algemene bevolking misbruikt, meisjes twee keer zoveel als jongens.

Zo wil ik u ook niet geruststellen over het feit, dat ongeveer 75 procent van de ooit misbruikte mensen, het redelijk 'overleeft'. Dat wil zeggen: op eigen kracht, of soms met hulp, ontwikkelen ze hierna geen ernstige klachten of psychiatrische stoornissen, en kunnen zij zich maatschappelijk goed redden.
Hoe heuglijk deze uitkomst ook is, bij dieper doorvragen blijkt dat ook deze 75 procent er toch enige klachten aan over kan houden. Zoals bijvoorbeeld een gevoel van eenzaamheid, zich niet comfortabel voelen in bepaalde situaties of seksuele problemen.

Terug naar het kind waar u een tijdje mee oploopt:

Als het kind dat wordt misbruikt geluk heeft, komt het op zijn weg alerte volwassenen tegen - zoals een juffrouw, buurvrouw of huisarts - die vol goede hoop aan de poort van jeugdzorg aankloppen.
Aangezien de jeugdzorg slechts probleemkinderen uit probleemgezinnen binnenlaat, mogen wij aannemen dat de misbruikpercentages van kinderen die de drempel van jeugdzorg overstappen, een stuk hoger liggen dan die 10 procent. Mogelijk net zo hoog als in de psychiatrie, waar de schattingen oplopen tot 30 procent.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg-3

Figuur 3.
Toch heeft zelfs bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling slechts 12 procent van de meldingen en adviesvragen betrekking op seksueel misbruik. Bij de hoofdpoort van Bureau Jeugdzorg, de Toegang,  liggen de cijfers nog veel lager.
Dus niet alleen in de achterkamers - waar de commissie Samson van constateerde dat slechts 2 procent van de misbruikgevallen wordt opgemerkt door jeugdzorgwerkers - neen, al vanaf de poort tot diep in het gangenstelsel van jeugdzorg wordt seksuele kindermishandeling onder-gediagnosticeerd.

Wat schuilt er eigenlijk achter het gebrekkige signaleren van seksueel misbruik?

Een kind dat zijn ouder niet kan vertrouwen, heeft ook moeite andere volwassenen te vertrouwen. Je moet dus van 'goede huize' komen om het kind aan het praten te krijgen.
Zo'n 'goed huis' behoort jeugdzorg te zijn. Een huis waar mensen werken die niet alleen met ouders, maar ook met kinderen kunnen en durven praten en op niet-suggestieve wijze dóór durven vragen, het is tenslotte jéugdzorg en geen óuderzorg; een huis waarin niet te snel wordt gezegd dat het kind te jong is om zijn mening te geven; een huis waarin werkers niet alleen luisteren naar de verbále inhoud, maar ook letten op de wíjze waarop het wordt verteld, waardoor zij de signalen van misbruik beter herkennen; een huis waarin het gekneusde, verbrokkelde verhaal van het kind serieus wordt genomen en niet tussen de stoeptegels náást de officiële weg terechtkomt.

Helaas wordt het verhaal van het kind vaak juist wél gebagatelliseerd. Dit afschuwelijke feit berust op meerdere pijlers.

- 1. Zo is het kind vaak de enige getuige, terwijl de dader het misbruik vaak ontkent en de familie het uit schaamte voor de buitenwereld - en soms ook voor zichzelf - onzichtbaar maakt.

- 2. Een tweede pijler is, dat veel poortwachters en andere jeugdzorgwerkers onvoldoende hun licht opgestoken hebben over het thema mishandeling en in bijzonder het thema seksuele mishandeling. Hierdoor kunnen zij geen helder diagnostisch licht op het kind laten vallen.
Het woord diagnose komt uit het Grieks, en betekent: het nauwkeurig leren kennen.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg-4

Figuur 4.
De jeugdhulpwerkers zien in het halfduister wel de grove lichaamssignalen van kindermishandeling, maar niet de subtiele. En juist die subtiele wijzen op gééstelijke mishandeling, wat uiteindelijk de diepste wonden achterlaat.

Natuurlijk hoeven niet alle jeugdzorgwerkers te weten wat er met de hersenen van het kind gebeurt, wanneer het direct of indirect geconfronteerd wordt met de dader. Dat dan het angstcentrum in de hersenen - de amygdala -, als een gek elektrische signalen begint af te vuren, waardoor het kind in een toestand van hyperarousal komt, het sympathische onwillekeurig zenuwstelsel overheerst en de adrenaline-spiegel van het kind stijgt.

Maar jeugdzorgwerkers behoren wel te weten dat het kind dan gebruikmaakt van de verdedigingspatronen vechten, vluchten of verstijven, en zij behoren wel de zichtbare psychomotorische lichaamssignalen van deze hyperarousal op te merken.

Zo kan de jeugdzorgwerker aanvoelen dat de kinderhand klam aanvoelt, of zien dat het kind trilt of verbleekt, of dat zijn ogen donker worden door de verwijding van zijn pupillen; hij kan opmerken dat de ademhaling van het kind versnelt en dat het soms een houding aanneemt - bestaande uit licht opgetrokken schouders en een licht voorover gebogen hoofd, terwijl het jou met zijn donkere kijkers vanonder zijn bovenwimpers nauwlettend in de gaten houdt.
En wanneer het kind moegestreden onbewust het verdedigingspatroon 'totale overgave' kiest, hoeven jeugdzorgwerkers opnieuw niet precies te weten wat er dan in zijn hersenen gebeurt en dat dan juist het párasympathische zenuwstelsel overheerst. Maar ze kunnen wel zien dat het kind hierdoor een slappe pop wordt met een wat gedaald bewustzijn, waardoor het net lijkt of het er niet helemaal bij is. Werkers in het 'Huis voor de Jeugd' behoren te weten dát die overgave niet betekent dat de angst van het kind 'wel meevalt', integendeel.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg 2013-5

Figuur 5.
Hier ziet u een plaatje van de hersenen, met daarop het angstcentrum - de amygdala -, dat een onderdeel vormt van het Lymbische systeem: ons zoogdierenbrein.
Bij gevaar reageert de amygdala heftig. Dit is functioneel. Maar bij chronische gevaar, kan de amygdala irreversibel (blijvend) ontregeld raken, en zijn functie niet meer goed uitoefenen. Hij gaat dan ook reageren op relatief onbelangrijke gebeurtenissen.

- Jeugdzorgwerkers denken vaak dat het kind altijd loyaal blijft aan zijn ouder, wat die hem ook aandoet.
Dit ligt in werkelijkheid echter genuanceerder.
Áls er al sprake is van loyaliteit, is deze vaak ambivalent van aard. Maar evenzo vaak bestaat die loyaliteit slechts uit een Stockholmsyndroom. Het kind wordt immers behalve mishandeld ook verzorgd door deze ouder, en móet uit lijfsbehoud dus wel loyaal blijven. Bij chronisch misbruik speelt bovendien hersenspoeling een rol.
Belangrijk voor jeugdzorgwerkers is dan ook om te weten, dat het kind dat chronisch seksueel wordt mishandeld, vaak een gedesorganiseerde hechting heeft. Omdat de ouder voor het kind zowel bron van veiligheid is als van angst, komt het kind in een - wat we in de ethologie: approach-avoidance-conflict noemen, terecht.
Door het meer of minder ontwikkelde hechtingssysteem wordt het kind in contact met de ouder - in realiteit of denkbeeldig - enerzijds naar de mishandelende ouder toegetrokken, maar door de angst keert het kind zich ook van de ouder af. Door deze psychologische spagaat kan het kind volledig immobiliseren, hetgeen wederom een valse rust uitstraalt.

- Er zijn vele instrumenten waarmee je het kind goed kunt zien en horen. In het 'Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg' worden er diverse genoemd. Ik noem hier expliciet: De Kleine Gids Kindermishandeling, het vlaggensysteem, en voor jongere kinderen, het boekje: Over privéplekjes en geheimen die niet oké zijn.
Daarnaast is mijn optiek een goed gevalideerd risicotaxatie seksueel misbruik nodig.

- Behalve goede diagnostiek van het kind is ook goede diagnostiek van ouders nodig. Nu is er vaak sprake van 'the rule of optimisme': het beste van ouders denken. Dat kun je nog wel doen bij ouders die uit onmacht hun kinderen slaan. Maar bij ouders die hun kinderen misbruiken, moet je zeer op je qui vive zijn. Dit soort ouders kunnen heel redelijk en charmant overkomen, maar het zijn vaak óf psychopaten, óf mensen die zelf in hun jeugd zijn beschadigd, waardoor ze bijvoorbeeld een borderline-persoonlijkheidsstoornis hebben.

We mogen in het laatste geval weliswaar mededogen met hen hebben, maar niet hun kinderen hieraan opofferen, waardoor l' histoire se répète: de geschiedenis zich herhaalt.

- 3.
Nog een pijler voor slechte diagnostiek aan de poort en verderop in het gangenstelsel van jeugdzorg, is: ANGST. Angst van de húlpverlener welteverstaan.

Het verhaal van het kind vol gruwelijke schendingen van zijn lichamelijke en geestelijke integriteit, is blijkbaar ook voor volwassenen soms zo moeilijk te verwerken, dat zij wegkijken. Net als in het verhaal van Harry Potter de beste tovenaars van Zweinstein soms ook te bang zijn voor de Heer van het Duister.
Het is het allesdoordringende besef dat de wereld - en mogelijk ook je eigen leefwereld - misschien helemaal niet zo veilig is als waar je altijd van uitging. Dat kan dus ook je éigen basic trust onder druk zetten, zodat er existentiële nood dreigt. Uit zelfbescherming en behoefte aan orde, kan dan de relatief sterke volwassene (on)bewust het kwetsbare en machteloze kind alleen laten met al het gruwelijks.

Ook ikzelf heb meermaals voor de spiegel moeten staan en mijzelf toe moeten spreken: "Carla, schaam je: ík hoef als volwassene het verhaal alleen maar aan te horen, terwijl mijn cliënt dit gruwelijks als kwetsbaar kind, dag in dag uit, heeft moeten ondergaan".

Een cliënt heeft recht op een hulpverlener die zijn angst overwint, want een cliënt kan nooit verder komen dan de angstgrens van de hulpverlener. Wel moet die hulpverlener in intervisieverband over zijn angsten praten, want als je besluit het kind écht te horen, ligt secundaire traumatisering ook bij jou op de loer. Hiervoor is een open cultuur nodig waarin je je kwetsbaar durft opstellen.
Wanneer de nare verhalen over seksueel misbruik het persoonlijk leven van de jeugdzorgwerker - zoals zijn eigen seksleven - negatief dreigen te beïnvloeden, behoort hij er minstens met één vertrouwenspersoon - binnen of buiten de instelling - over te kunnen praten.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg 2013-6

Figuur 6.
Ik kom nog even terug op de poortwachtersfunctie van jeugdzorg. Wij hebben de neiging om de meest competente werkers dieper in de keten in te zetten. Daar zijn zeker experts nodig. Maar ook een poortwachterfunctie vereist grote expertise.

Ik zou u dan ook ter overweging willen meegeven, om juist bij de Toegang en aan de telefoon bij het AMK competente en ervaren hulpverleners neer te zetten. De beslisboom in het hoofd van ervaren hulpverleners gaat sneller, omdat zij takken kunnen overslaan. Daardoor kunnen zij het kind óf direct verder helpen, óf het rechtstreeks doorverwijzen naar de juiste plek, hetgeen een langdurige martelgang van het kind door alle schakels van de jeugdzorgketen voorkomt. Efficiënt opereren scheelt bovendien tijd en geld.
Ik neem aan dat u als bestuurders en managers hier wel gevoelig voor bent....

Een ander idee is, om een aan het AMK verbonden achtergeschakeld expertise-team te formeren, waarin jeugdzorg, ggz, vertrouwens- of kinderartsen en zo nodig de zedenpolitie, structureel samenwerken rond het thema seksueel misbruik.

Verder zou ik u ter overweging willen meegeven om bij het AMK ook consult- en adviesvragen op naam van het kind te laten registreren. Nu gebeurt dit alleen met meldingen. Hierdoor worden niet alle misbruiksignalen uit de diverse hoeken van de leefwereld van het kind geconvergeerd, met het risico dat pas laat verhoogde alertheid optreedt.

Wanneer het kind eenmaal is toegelaten aan de poort van het 'huis voor de jeugd', komt het een in een complex gangenstelsel terecht met diverse zijvertrekken.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg 6b

Figuur 6b
Je komt er op de gangen volwassenen tegen die heftig met elkaar discussiëren over welk vertrek waarvoor dient en wie het gas en licht hiervan moet betalen; volwassenen die er niet over peinzen om delen van de Jeugdbescherming en de Raad voor de Kinderbescherming te integreren, zodat dingen niet langer dubbel gedaan hoeven te worden; werkers die torenhoge stapels dossiers met elkaar uitwisselen en die hier regelmatig over vergaderen: weliswaar met het hart op de juiste plaats, maar zonder al te veel de term seksualiteit in de mond te nemen.

- 4.
De weg door dit gangenstelsel binnen het 'Huis voor de Jeugd' wordt verder ook bemoeilijkt omdat er bij diverse splitsingen verbodsborden opdoemen met de tekst: 'WAARHEIDSVINDING VERBODEN'.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg 2013-8

Figuur 7.
Je komt ze zowel tegen bij Bureau Jeugdzorg zelf, bij de afslag naar de Raad voor de Kinderbescherming, als bij forensisch diagnostische centra.

Kinderen die een strafrechtelijk pad aflopen, kunnen bij een dergelijk verbodsbord gemakkelijk langs de slagbomen glippen, maar de 95 procent kinderen die een civielrechtelijke pad bewandelen, een stuk slechter. Want door dit verbodsbord zijn de werkers van het 'Huis voor de Jeugd' opnieuw bang om precies uit te zoeken wat het kind thuis nu is overkomen. Ze stuiten dan immers ook op de vermoedelijke dader, echter: deze 'Heer van het Duister' geniet in onze samenleving rechtsbescherming. Hierdoor mag zijn naam eigenlijk helemaal niet genoemd worden....
Maar het kind wordt nu eenmaal niet in een vacuüm misbruikt.... Je zult dus de werking van het gruwelijke poppenspel nooit echt kunnen doorgronden, als de poppenspeler buiten beeld blijft.

Aldus zorgt dit verbodsbord ervoor, dat werkers slechts mondjesmaat aan "diagnóstische waarheidsvinding" durven doen.
Misschien zou het hen helpen wanneer het bord wordt veranderd in: "Strafréchtelijke waarheidsvinding verboden". Hierdoor zouden jeugdzorgwerkers wél de legitimiteit en de toestemming ervaren, om precies uit te zoeken wat er is gebeurd. Maar niemand is nog op dit idee gekomen.

- Uiteindelijk kan de jeugdige dan terechtkomen in een van de achtervertrekken van jeugdzorg: een leefgroep binnen een residentiële instelling.
De leefgroep beoogt een tijdelijk thuis te zijn, waar een intiem klimaat heerst dat warmte en bescherming aan de jeugdige biedt.
Kom daar maar eens om! Want zo'n leefgroep is een smeltkroes waar kinderen hun trauma's op elkaar en op jeugdzorgwerkers uitleven. Dat levert zeer complexe groepsdynamica op.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg 2013-9

Figuur 8.
Het misbruikte kind lijdt aan aangeleerde verwarring tussen intimiteit en seksualiteit en heeft vaak seksualiserend gedrag. Juist in een situatie van machtsongelijkheid en afhankelijkheid - op dit punt is een leefgroep vergelijkbaar met de thuissituatie -, kan de jongere via het fenomeen overdracht onbewust de traumatische ervaring reënsceneren. Het kind kan dus gevoelens, die oorspronkelijk opgeroepen werden door de ouder, projecteren op de jeugdzorgwerker.

Bij jongere kinderen valt dit seksualiserende gedrag - dat niet conform de leeftijd is, misschien nog op. Maar bij pubers is dit soms nauwelijks te onderscheiden van het normale, gezonde experimenteergedrag. Alleen mist bij deze jongeren vaak de 'sexual awareness'. D.w.z.: de antennes aan de persoonsgrenzen, waarmee je normaliter aftast hoever de ander seksueel met je wil gaan, zijn bij deze jongeren beschadigd. Daardoor kunnen bij hen ook tijdens dit gewone experimenteergedrag toch eerder ongelukken gebeuren.

Jeugdzorgwerkers moeten bijzonder op hun hoede zijn om niet mee te gaan in dit ongezond seksualiserend gedrag van jongeren. Open met elkaar spreken over gezonde en ongezonde seksualiteit, zowel jeugdzorgwerkers onderling als ook met jeugdigen zelf, is hiervoor een must.

Omdat misbruikte kinderen vaak over een onveilige gehechtheidsstijl beschikken, kan via diezelfde overdracht tussen jeugdige en hulpverlener ook het approach-avoidance-conflict zich herhalen.
De jongere zoekt eerst affectie bij zijn hulpverlener, maar bij te grote nabijheid herleeft het verinnerlijkte trauma, waardoor de jongere geschrokken weer ruw afstand neemt. Bijvoorbeeld door de hulpverlener - die eerst op een voetstuk stond, met een klap hiervan af te laten vallen.
Onveilig gehechte kinderen branden zich dus snel aan te grote intimiteit.
Het is daarom zaak dat jeugdzorgwerkers zeer omzichtig omgaan met het fenomeen afstand - nabijheid. Knuffelen blijft belangrijk, maar je moet niet al te gemakkelijk troostend je arm om een misbruikt kind heenslaan. Eerst vragen of dit goed is, en van tevoren precies aangeven wat je van plan bent, lost vaak al veel op.

Verder moeten jeugdzorgwerkers voorzichtig zijn met het hebben van een té exclusieve band met een jeugdige. Wees dus als jeugdzorgwerker niet te gevoelig voor uitspraken van een jongere als: 'Je bent de enige die mij echt begrijpt', ook al streelt dit je ego.
Door een te exclusieve band ligt zowel herhaling van seksueel misbruik - in dit geval met een verdwaalde hulpverlener - op de loer; als ook op verwikkelingen ten gevolge van het zojuist genoemde approach-avoidance-conflict.
De oplossing is relatief eenvoudig: een jeugdige zou altijd twéé mentoren moeten hebben, die regelmatig met elkaar overleggen. Hier behoort de jeugdige van op de hoogte te zijn, en hier zo nodig bij aanwezig te zijn. Dit bootst het meest een gezonde gezinssituatie na.

Daarnaast is mijn advies bij het schrijven van een veiligheidsplan voor de leefgroep, om zoveel mogelijk rekening te houden met specifieke triggers die de getraumatiseerde kinderen kunnen ontregelen.
Triggers zijn situationele factoren die op de misbruiksituatie lijken. Bijvoorbeeld het 'tijdstip van 4 uur 's middags' - als het misbruik na schooltijd plaatsvond, of: 'onverwacht het licht uitdoen', bij kinderen die 's nachts werden misbruikt.
Wanneer een kind nachtmerries of herbelevingen betreffende het trauma heeft, is het zaak dat de jeugdzorgwerker het kind uit de herbeleving haalt, door het kind duidelijk te maken waar het zich nu bevindt, en dat het op déze plaats veilig is.
Maar dan moet deze plaats natuurlijk ook wel echt veilig zíjn!

Jeugdzorgwerkers kunnen hun vak alleen goed uitoefenen, wanneer zij hierbij stevige support van u als bestuurders en managers krijgen. Daarvoor is nodig dat u in uw denken en handelen niet voortdurend abstract boven de materie blijft hangen, zodat u te hoog overvliegt.

Lezing over seksueel misbruik binnen de jeugdzorg 2013-10

Figuur 9.
Daarom raad ik u aan, af en toe uw lieslaarzen aan te doen om náást uw jeugdzorgwerkers met uw poten in de modder te staan, om te bezien wat daar ter plekke nodig is.

Alleen door uw steun kunnen jeugdzorgwerkers met passie en aandacht hun moeilijke vak uitoefenen: een beschadigd kind echt een nieuwe kans geven.

- - - - Dank voor uw aandacht - - - -

Literatuur
1. Bonnet R. De Kleine Gids Kindermishandeling Deventer: Kluwer; 2013
2. Brilleslijper-Kater SN. Beyond words: Between-group differences in the ways sexually abused and nonabused preschool children reveal sexual knowledge. Enschede: Febodruk; 2005.
3. Commissie-Samson. Omringd door zorg, toch niet veilig. Den Haag: Boom; 2012.
4. Duin A van. Expertisecentra Kindermishandeling. Het Kind Eerst 2012; 1.
5. Edwards S, Turnell, A. Veilig opgroeien. Houten: Bohn Stafleu van Lochum; 2009.
6. Geuze, A. Over privéplekjes en geheimen die niet oké zijn. Veessen:
http://www.praktijkdoen.nl; 2013.
7. Graaf H, Rademakers J. Seks in de groei. Utrecht: Rutgers Nissogroep; 2009.
8. Nicolaï N (red). Psychotherapie na seksueel misbruik. Amsterdam: Boom; 2000.
9. Rus CP. Bruisend en Breekbaar. Tijdschrift voor Humanistiek. UvH: 2006; 28: 99-110.
10. Rus CP. Wie luistert naar het kind? Over wat er allemaal misging met een melding van kindermishandeling. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 2009; 64:1105-1118.
11. Rus CP. Hulp na seksueel misbruik door de jaren heen. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 2012; 67(4).
12. Rus CP. Wat niet gezien en onbesproken blijft. Een ggz-commentaar op het rapport van de commissie-Samson. Maandblad

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *