Categorie archief: Grote Oorlogen

De grote oorlogen tussen groepen vernederde mensen die liefde angstvallig opsluiten en anderen met geweld buitensluiten. Carla Rus over De Slag om de Schelde en ander oorlogsgeweld.

Je zweeg als het graf twee

 

Je zweeg als het graf

In: Verzetskrant Scholenspecial 2016

Door Carla Rus

De 92-jarige Jaap Rus die met zijn vriendin Lies aan de boulevard in Vlissingen woont, heeft anno 2016 drie dochters (Elly, Carla, Wilma), negen kleinkinderen en negen achterkleinkinderen. Hij voelt zich een rijk gezegend mens.
Hij vraagt zich af of hij in WO II de stoute stap had durven wagen in het verzet te gaan, als hij toen al (groot)vader was geweest. Want Jaap was – toen zijn beste vriend Wim Quakkelaar hem in hun woonplaats Goes hiervoor vroeg – slechts 17 jaar oud. Hij zat nog op de HBS (vwo) en had verder geen verantwoordelijkheden.

Jaap Rus

Jaap Rus, 91 jaar. Foto: Machteld Janssen

Hij dacht eerst goed na en daarna wist hij heel zeker dat hij op wilde staan tegen het totalitaire regime van de nazi’s dat de mensenrechten zo ernstig schond. Natuurlijk besefte hij dat hij grote risico’s liep, maar zijn rechtvaardigheidsgevoel en zijn loyaliteit ten opzichte van mensen die werden vernederd en buitengesloten woog zwaarder dan zijn angst.

Goes was een broeinest van de NSB (Nationaal-Socialistische-Beweging). En (misschien wel daarom?) waren er in Goes veel verzetsgroepen.
Jaap vertelde er niets over aan zijn ouders, drie jongere zussen en zijn latere vriendin en echtgenote Miep Joosse. Door dit grote geheim leefde Jaap eigenlijk in twee werelden. Zijn ‘gewone’ wereld van het naar-school-gaan, optrekken met vrienden en zijn leven thuis; en die andere, gevaarlijke wereld. In die laatste wereld bespioneerde hij bezetters en fungeerde als boodschapper tussen zijn eigen verzetsgroep – aangevoerd door Daan Kloosterman – en de overkoepelende OD (ordedienst) op Zuid-Beveland, onder leiding van neef Piet Kloosterman. Samen met de groep Albrecht op Walcheren hadden ze een geheime zender.
Als je in het verzet zat, kon je je niet permitteren impulsief te handelen of spannende verhalen te vertellen over wat je had gedaan. Dan bracht je jezelf en anderen in gevaar. Een degelijke verzetsgroep had dezelfde discipline als een legeronderdeel. Je kreeg opdrachten van je (onder)commandant en zweeg als het graf.

Jaap observeerde Duitse transporten via het spoor, munitiedepots en een radiostation ten zuiden van Goes richting ‘s Gravenpolder (in ‘De Groe’). In dat gebiedje zijn in 2014 vier kleine Tobrukbunkers gevonden, die waarschijnlijk dat zendstation hebben beschermd. Twee bunkers zijn nu te bezichtigen bij het Bevrijdingsmuseum Zeeland.

Ook het ‘gewone’ leven was niet meer gewoon. Er was gebrek aan alles. Jaap had op de padvinderij, een gymnastiekvereniging en een kerkelijke jongerenvereniging gezeten. Die werden alle drie verboden. Alleen een lidmaatschap van de Jeugdstorm (Nederlandse variant van de Hitlerjugend) mocht. Op de HBS werd zijn joodse leraar scheikunde ontslagen en in Jaaps klas zat Tonny Dekker, zoon uit een NSB-nest die door klasgenoten werd gemeden. Als kind had Jaap bij hem thuis gespeeld. Soms dacht Jaap bezorgd: ‘Tonny, waar ben je toch mee bezig?! Doe niet zo stom!’ Jaap weet zeker dat Tonny hem nooit verraden zou hebben. Oude loyaliteiten gaan soms diep. Deze jongen werd SS-soldaat. Zou dat ooit zijn vrije keus zijn geweest? Hij had een dominante NSB-vader en zijn oom was Zeelands hoogste NSB-baas die rechtstreeks onder Mussert viel. Tonny hoorde bovendien nergens meer bij.
Hij is aan het oostfront gestorven.

Na het vwo wilde Jaap piloot worden, of weg- en waterbouwkunde studeren in Delft. Het eerste was onmogelijk en het tweede eigenlijk ook. Want Zeeland was grotendeels Sperrgebiet, waardoor je de provincie nauwelijks in of uit kon. In zo’n gevaarlijke tijd het huis uitgaan, lag niet voor de hand. Bovendien zou hij dan een ariërverklaring moeten ondertekenen, want joden werden in Delft geweerd. Dit is het laatste wat Jaap zou doen. Daarom ging hij naar het Zeeuws Technisch Instituut.

Jaap Rus

Jaap Rus 21 jaar. Foto: F.F. de Soomer

In 1944 werd Jaap opgeroepen voor de Arbeitseinsatz. Eerst wilde hij onderduiken. Maar toen bleek dat hij tewerkgesteld werd bij Todt in Westkapelle op Walcheren. Todt was de Bouworganisatie van de Wehrmacht die aan de Nederlandse kust de Atlantikwall bouwde. Daarom droeg zijn ondercommandant hem op toch te gaan en daar de verdedigingswerken te bespioneren.
De tewerkgestelden kwamen tijdens het transporteren van zakken zand dichtbij de verdedigingswerken. Jaap kon de radarpost ten zuiden van Westkapelle en de Versperrungen op het strand – bunkers, mijnenvelden, geschut – redelijk goed observeren en in zich opnemen. Thuisgekomen maakte hij uit zijn hoofd geografische en technische schetsen hiervan en gaf deze aan zijn ondercommandant Merien de Groot.
Niet lang daarna werd De Groot opgepakt en op 8 oktober 1944 gefusilleerd. In zijn arrestatiebevel staat dat dit was vanwege gestolen voedselbonnen en fietsbanden, en documenten betreffende de Wehrmacht zelf. Ook Jaap moest alsnog onderduiken. Hij biechtte aan zijn ouders op dat hij in het verzet zat.
De ene nacht lag hij in de onderkeldering onder een van de bedsteden in de alkoof thuis, de andere nacht bij de buren. De nacht dat de Sicherheitspolizei hem thuis kwam zoeken, lag hij bij de buren. Hij heeft de soldatenlaarzen in zijn ouderlijk huis horen stampen en is heel bang geweest voor wraak.

Jaap heeft nooit kunnen achterhalen of bovenstaande documenten zíjn schetsen zijn geweest. De politie heeft deze niet meer bij Merien aangetroffen en er zijn aanwijzingen dat deze – via een ziekenauto vanuit Goes richting Brabant – rechtstreeks in handen van Canadezen zijn gevallen. Die waren bezig met een opmars vanuit het oosten vanwege de Slag om de Schelde. Bij deze slag hebben veel Zeeuwse verzetsleden de geallieerden geholpen, door hen in het drassige land de weg te wijzen en Duitse soldaten gevangen te nemen.

Na de bevrijding bleek Jaaps beste vriend Wim op zijn onderduikadres aan een infectie te zijn gestorven.
Jaap deed staatsexamen bij het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw voor ingenieur (ing). Hij werkte daarna keihard in Zeeland en Amsterdam om bruggen, kanalen en sluizen te herstellen.
In 1984 werd hij benoemd tot officier in de orde van Oranje-Nassau vanwege zijn innovatieve werk als voorzitter Projectorganisatie Beheer en Inrichting Oosterscheldekering. In datzelfde jaar kreeg hij het verzetsherdenkingskruis.

Voor Jaap betekent bevrijding niet alleen afwezigheid van mensenrechtenschendingen, genoeg voedsel en onderdak; maar ook vrijheid in je geest. Jaap: “Dat betekent ook verzoening met je vroegere tegenstander. Ik heb de tijd gekregen om dit te kunnen laten rijpen.”

Jaap Rus met nazaten. Foto: Patrick Hesse

2010: ‘Mijn vader heeft gekozen’. Essay in dagblad Trouw door Carla Rus.
2016: ‘Zij was 16’. Spannende jeugdroman door Marlies Allewijn (uitgeverij Kluitman), waarin romanfiguur Willem geïnspireerd is op Jaaps rol in het verzet.

Je zweeg als het graf

Je zweeg als het graf

In: Verzetskrant Scholenspecial 2016

Door Carla Rus

De 92-jarige Jaap Rus die met zijn vriendin Lies aan de boulevard in Vlissingen woont, heeft anno 2016 drie dochters (Elly, Carla, Wilma), negen kleinkinderen en negen achterkleinkinderen. Hij voelt zich een rijk gezegend mens.
Hij vraagt zich af of hij in WO II de stoute stap had durven wagen in het verzet te gaan, als hij toen al (groot)vader was geweest. Want Jaap was – toen zijn beste vriend Wim Quakkelaar hem in hun woonplaats Goes hiervoor vroeg – slechts 17 jaar oud. Hij zat nog op de HBS (vwo) en had verder geen verantwoordelijkheden.

artikel-foto-1

Jaap Rus, 91 jaar. Foto: Mechteld Jansen

Hij dacht eerst goed na en daarna wist hij heel zeker dat hij op wilde staan tegen het totalitaire regime van de nazi’s dat de mensenrechten zo ernstig schond. Natuurlijk besefte hij dat hij grote risico’s liep, maar zijn rechtvaardigheidsgevoel en zijn loyaliteit ten opzichte van mensen die werden vernederd en buitengesloten woog zwaarder dan zijn angst.

Goes was een broeinest van de NSB (Nationaal-Socialistische-Beweging). En (misschien wel daarom?) waren er in Goes veel verzetsgroepen.
Jaap vertelde er niets over aan zijn ouders, drie jongere zussen en zijn latere vriendin en echtgenote Miep Joosse. Door dit grote geheim leefde Jaap eigenlijk in twee werelden. Zijn ‘gewone’ wereld van het naar-school-gaan, optrekken met vrienden en zijn leven thuis; en die andere, gevaarlijke wereld. In die laatste wereld bespioneerde hij bezetters en fungeerde als boodschapper tussen zijn eigen verzetsgroep – aangevoerd door Daan Kloosterman – en de overkoepelende OD (ordedienst) op Zuid-Beveland, onder leiding van neef Piet Kloosterman. Samen met de groep Albrecht op Walcheren hadden ze een geheime zender.
Als je in het verzet zat, kon je je niet permitteren impulsief te handelen of spannende verhalen te vertellen over wat je had gedaan. Dan bracht je jezelf en anderen in gevaar. Een degelijke verzetsgroep had dezelfde discipline als een legeronderdeel. Je kreeg opdrachten van je (onder)commandant en zweeg als het graf.

Jaap observeerde Duitse transporten via het spoor, munitiedepots en een radiostation ten zuiden van Goes richting ‘s Gravenpolder (in ‘De Groe’). In dat gebiedje zijn in 2014 vier kleine Tobrukbunkers gevonden, die waarschijnlijk dat zendstation hebben beschermd. Twee bunkers zijn nu te bezichtigen bij het Bevrijdingsmuseum Zeeland.

Ook het 'gewone' leven was niet meer gewoon. Er was gebrek aan alles. Jaap had op de padvinderij, een gymnastiekvereniging en een kerkelijke jongerenvereniging gezeten. Die werden alle drie verboden. Alleen een lidmaatschap van de Jeugdstorm (Nederlandse variant van de Hitlerjugend) mocht. Op de HBS werd zijn joodse leraar scheikunde ontslagen en in Jaaps klas zat Tonny Dekker, zoon uit een NSB-nest die door klasgenoten werd gemeden. Als kind had Jaap bij hem thuis gespeeld. Soms dacht Jaap bezorgd: ‘Tonny, waar ben je toch
mee bezig?! Doe niet zo stom!’ Jaap weet zeker dat Tonny hem nooit verraden zou hebben. Oude loyaliteiten gaan soms diep. Deze jongen werd SS-soldaat. Zou dat ooit zijn vrije keus zijn geweest? Hij had een dominante NSB-vader en zijn oom was Zeelands hoogste NSB-baas die rechtstreeks onder Mussert viel. Tonny hoorde bovendien nergens meer bij.
Hij is aan het oostfront gestorven.

Na het vwo wilde Jaap piloot worden, of weg- en waterbouwkunde studeren in Delft. Het eerste was onmogelijk en het tweede eigenlijk ook. Want Zeeland was grotendeels Sperrgebiet, waardoor je de provincie nauwelijks in of uit kon. In zo’n gevaarlijke tijd het huis uitgaan, lag niet voor de hand. Bovendien zou hij dan een ariërverklaring moeten ondertekenen, want joden werden in Delft geweerd. Dit is het laatste wat Jaap zou doen. Daarom ging hij naar het Zeeuws Technisch Instituut.

Jaap Rus 21 jaar. Foto: F.F. de Soomer

Jaap Rus 21 jaar. Foto: F.F. de Soomer

In 1944 werd Jaap opgeroepen voor de Arbeitseinsatz. Eerst wilde hij onderduiken. Maar toen bleek dat hij tewerkgesteld werd bij Todt in Westkapelle op Walcheren. Todt was de Bouworganisatie van de Wehrmacht die aan de Nederlandse kust de Atlantikwall bouwde. Daarom droeg zijn ondercommandant hem op toch te gaan en daar de verdedigingswerken te bespioneren.

De tewerkgestelden kwamen tijdens het transporteren van zakken zand dichtbij de verdedigingswerken. Jaap kon de radarpost ten zuiden van Westkapelle en de Versperrungen op het strand – bunkers, mijnenvelden, geschut – redelijk goed observeren en in zich opnemen. Thuisgekomen maakte hij uit zijn hoofd geografische en technische schetsen hiervan en gaf deze aan zijn ondercommandant Merien de Groot.
Niet lang daarna werd De Groot opgepakt en op 8 oktober 1944 gefusilleerd. In zijn arrestatiebevel staat dat dit was vanwege gestolen voedselbonnen en fietsbanden, en documenten betreffende de Wehrmacht zelf. Ook Jaap moest alsnog onderduiken. Hij biechtte aan zijn ouders op dat hij in het verzet zat.
De ene nacht lag hij in de onderkeldering onder een van de bedsteden in de alkoof thuis, de andere nacht bij de buren. De nacht dat de Sicherheitspolizei hem thuis kwam zoeken, lag hij bij de buren. Hij heeft de soldatenlaarzen in zijn ouderlijk huis horen stampen en is heel bang geweest voor wraak.

Jaap heeft nooit kunnen achterhalen of bovenstaande documenten zíjn schetsen zijn geweest. De politie heeft deze niet meer bij Merien aangetroffen en er zijn aanwijzingen dat deze – via een ziekenauto vanuit Goes richting Brabant – rechtstreeks in handen van Canadezen zijn gevallen. Die waren bezig met een opmars vanuit het oosten vanwege de Slag om de Schelde. Bij deze slag hebben veel Zeeuwse verzetsleden de geallieerden geholpen, door hen in het drassige land de weg te wijzen en Duitse soldaten gevangen te nemen.

Na de bevrijding bleek Jaaps beste vriend Wim op zijn onderduikadres aan een infectie te zijn gestorven.
Jaap deed staatsexamen bij het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw voor ingenieur (ing). Hij werkte daarna keihard in Zeeland en Amsterdam om bruggen, kanalen en sluizen te herstellen.
In 1984 werd hij benoemd tot officier in de orde van Oranje-Nassau vanwege zijn innovatieve werk als voorzitter Projectorganisatie Beheer en Inrichting Oosterscheldekering. In datzelfde jaar kreeg hij het verzetsherdenkingskruis.

Voor Jaap betekent bevrijding niet alleen afwezigheid van mensenrechtenschendingen, genoeg voedsel en onderdak; maar ook vrijheid in je geest. Jaap: “Dat betekent ook verzoening met je vroegere tegenstander. Ik heb de tijd gekregen om dit te kunnen laten rijpen.”

Jaap Rus met nazaten. Foto: Patrick Hesse

Jaap Rus met nazaten. Foto: Patrick Hesse

–––––
2010: ‘Mijn vader heeft gekozen’. Essay in dagblad Trouw door Carla Rus.
2016: ‘Zij was 16’. Spannende jeugdroman door Marlies Allewijn (uitgeverij Kluitman), waarin romanfiguur Willem geïnspireerd is op Jaaps rol in het verzet.

Onze angst weerspiegelt angst jihadstrijders

ONZE ANGST WEERSPIEGELT DE ANGST VAN JIHADSTRIJDERS

Samenvatting: Wat zich bij de jihad voordoet als vernietigende woede is tevens een uiting van heftige angst van jihadstrijders. Die angst zit niet zozeer aan de militaire top, alswel bij de jongeren die geronseld zijn. De primaire angst is ontstaan door onveilige hechting in de jeugd. Het zijn van oorsprong geen kwaadaardige driften, maar juist diepmenselijke behoeften die jongeren rijp maken voor IS. De structuur van bendes die onderdeel vormen van de straatcultuur, kunnen achteraf gezien worden als perfecte geestelijke voorbereiding op IS.
In het Kalifaat spelen groepsdynamische processen een rol zoals die zich in een secte en een totalitair regime voordoen. Deze processen kunnen voor naïve leden angstaanjagend zijn. Als de psyche uit zelfbescherming die angsten uit het bewustzijn verdringt, kunnen zij numbness (verregaande emotionele verdoofheid) opleveren. Dit maakt het gemakkelijker gebrainwasht te worden en misdaden tegen de menselijkheid aan te zien of zelf te plegen.
Eenmaal in de secte is er (bijna) geen weg terug. Maar wij kunnen in het Westen wel proberen zodanige maatschappelijke condities te creëren dat jongeren hier beter aansluiting vinden en daardoor minder snel ontvankelijk worden voor de rattenvangers van IS.

Profiel Westerse jihadstrijder
Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer citeert in de NRC van 28 nov. een opvallende uitspraak van terrorisme-expert Beatrice de Graaf. Namelijk: “Om de terrorist te begrijpen, kun je beter bij een romanschrijver dan een wetenschapper terecht.” Pfeijffer pakt de handschoen op en doet met zijn prachtige artikel ‘Ik woon in de lichtstad, het licht is onbereikbaar’ een dappere poging hiertoe. (1)
Ik betwijfel echter de uitspraak van De Graaf (die ik overigens zeer hoog heb). Want wordt er tijdens het maken van een profiel van een jihadist wel diep genoeg in zijn ziel gekeken? Natuurlijk zullen de motieven van jihadisten onderling verschillen. Bij de een zal zijn handelen meer uit religiositeit of loyaliteit voortkomen, bij anderen meer uit opportunistisch theatraal machisme.
Pfeiffer levert het sleutelwoord voor een goede analyse: empathie. Immers, niet alleen de romanschrijver, maar ook de geesteswetenschapper behoeft empathie om de drijfveren van mensen te verstaan. Verder doen de geesteswetenschappen onderzoek naar de relatie tussen persoonlijkheidsstruktuur en gedrag en naar de relatie tussen groepsdynamische processen en gedrag. Ergo: ook met wetenschap kun je verder komen in het begrijpen van de terrorist.

Heftige angst wordt omgezet in primitieve woede
Massieve primitieve woede die erop gericht is om een (vermeende) agressor hard te wreken, wordt vaak (mede) gevoed door oude emoties. Die komen in het kielzog van de nieuw opgeroepen emoties mee. Deze oude gevoelens zijn doorgaans afkomstig uit een verleden gekenmerkt door trauma’s zoals verwaarlozing, pijn, angst, overmeestering, buitensluiting, machteloosheid, vernedering. Niemand wordt ‘zomaar uit het niets’ jihadstrijder is mijn overtuiging. Ook de meeste meelopers niet. Hoewel bij hen wel sprake is van andere motivationele factoren dan bij de voortrekkers. Bij de planners/makers van IS spelen nog weer andere drijfveren een rol.

Onveilige hechting
Je ontwikkelt als kind een veilige hechting indien verzorgers en samenleving sensitief op je angsten reageren – of deze angsten nu van binnenuit of buitenaf komen – zodat je deze leert beheersen. Wanneer je veilig gehecht raakt, ontwikkel je vertrouwen in anderen, zelfvertrouwen, empathie (inlevingsvermogen) en de bekwaamheid het gedrag van anderen in te schatten en enigszins te voorspellen. (2)
Adolescenten die zich laten vangen door de rattenvangers van IS zijn naar mijn idee niet alleen suggestibel voor de ééndimensionale boodschap, maar zijn ook vaak onveilig gehecht. Er is een gebrek aan maatschappelijke groepshechting waardoor zij zich niet in onze samenleving thuisvoelen. Maar soms is er ook op individueel niveau sprake van een onveilige gehechtsheidsstijl. Die ontwikkel je als kind in een één op één relatie met je opvoeders. (2)
Moeders houden zielsveel van hen, maar lijden nogal eens aan een heimweecomplex, kennen onze samenleving nauwelijks en/of hebben weinig gezag. Daardoor zijn zij niet altijd in staat om sensitief op de angsten van hun kinderen te reageren. Dochters worden dichtbij en kort gehouden, maar zonen worden als kind vaak overgeleverd aan de straatcultuur. (2,3, 4,5,6,7) Hier lopen de allerjongsten emotioneel gevaar, omdat daar het recht van de sterkste geldt. (2,4,5,7)

Straatcultuur maakt rijp voor IS
In de jaren ’80 was ik psychiater in Klarendal (achterstandswijk Arnhem) en in de jaren ’90 in de Schilderswijk (achterstandswijk Den Haag), alwaar ik bovenstaande fenomeen met pijn in mijn hart waarnam. In de straatcultuur wordt de hiërarchie bepaald op basis van durf, oppostioneel gedrag en verbale en/of nonverbale agressie. De oudere, meest agressieve jongen staat bovenaan de pickingorder en dwingt hiermee respect af. (2) Deze straatcultuur vormt achteraf de perfecte geestelijke voorbereiding voor een verblijf in het Kalifaat. Waarmee ik geenszins wil zeggen dat iedere jongen die ooit onderdeel was van de straatcultuur, zal radicaliseren!
De jongere kinderen identificeren zich bij voorkeur niet met de in hun ogen ‘onderdrukte’ vader, maar met deze imponerende jongen. Immers, hiermee kunnen ook zijzélf op termijn respect verwerven. Vaders proberen soms met harde hand hun zonen in het gareel te houden, wat contraproductief werkt. De extended family die in het land van herkomst meeopvoedt, is hier afwezig of gefragmenteerd. (2)
Naast gekrenkte trots door daadwerkelijke maatschappelijke vernederingen en discriminatie, trof ik soms ook het primitieve afweermechanisme projectieve identificatie aan. Dan gaan jongeren er al bij voorbaat van uit dat ik hen respectloos bejegen en gedragen ze zich hiernaar. Alleen al in het voorbijgaan deze jongens aankijken, leverde soms al op dat zij hun middelvinger naar mij opstaken en het woord ‘respect!’ naar mij sisten. Zij schatten mijn bedoelingen dus niet goed in (ik kwam bijvoorbeeld op huisbezoek omdat hun moeder ernstig depressief was). Dit getuigt van een gemankeerd inlevingsvermogen gebaseerd op een onveilige geheidheidsstijl. Ook was er sprake van generalisatie en identificeerden ze mij met hun éígen vooroordeel over mij. Voor je het weet roepen ze door self fulfilling prophecy op waar ze je van verdenken en is de circel rond.

Meelopers
Meelopers hebben behoefte aan een duidelijke leider die de richting aangeeft, ook in morele zin. Zij kunnen ideologisch gedreven zijn, maar motieven kunnen ook meer opportunistisch van aard zijn. Zij missen zingeving en richting in onze Westerse maatschappij. Soms hebben meelopers behoefte aan devotie en zelfs een zekere mate van onderdanigheid. Zij zijn vaak suggestibel en dus gevoelig voor suggesties van leiders. Hun onderschikte rol binnen de hiërarchie van IS geeft hen geen minderwaardigheidsgevoel, maar juist een eerbare positie in de groep. Zoals ‘de vrouw zijn van ‘die en die’ jihadstrijder’ (zo vertelde mij een zus van een vrouwelijke jihadist). (3,8)
Toch denk ik dat een redelijk grote groep naïve Westerse jihadisten absoluut niet wisten waar ze aan begonnen toen zij toetraden tot IS. Zij zullen schrikken van wat de strenge Sharia met haar genadeloze straffen in de praktijk betekent en zich onzichtbaar proberen te maken. Sommigen zullen het leven daar als een nachtmerrie ervaren. Zeker in combinatie met de angstwekkende oorlogshandelingen waar zij aan mee moeten doen of waar zij door bedreigd worden.
Meelopers zijn vaak laag in hiërarchie, maar kunnen in opdracht wel vreselijke wandaden moeten plegen of moeten ‘toelaten’. Zij zijn waarschijnlijk in de ban van – of worden volledig gedomineerd door – hun agressieve leiders. Zij durven niets tegen hun gruweldaden in te brengen uit angst zelf slachtoffer te worden van hun agressie. Verder spelen bij dit permissief gedrag numbness (verregaande geestelijke verdoving om heftige angsten te verdringen) en groepsdruk een rol.

Voortrekkers
Voortrekkers zijn vaak radicaler. Zij kunnen ideologisch gedreven zijn, maar een belangrijk motief is ook: aanzien en heldendom. Zij voelen zich vaak narcistisch gekrenkt door onze maatschappij en hebben tevens angst om ‘onaanzienlijk te zijn’. Ze zijn daarom ambitieus en heerszuchtig, met waarschijnlijk een laag angstniveau (door een aangeboren laag cortisol-gehalte – stresshormoon), waardoor zij meer angstaanjagende zaken aandurven. (7) Veel voortrekkers die ronselaar zijn, beschikken bovendien over demagogische kwaliteiten.
Een enkeling zal een psychopatische persoonlijkheidsstruktuur hebben met machtswellust en soms de lust om een ander pijn te doen (sadisme), zonder daar gewetensproblemen mee te hebben. 1 op 100 mensen is een psychopaat. (9) Wij komen psychopaten in onze geciviliseeerde samenleving – behalve in de onderwereld – ook als witteboorden-criminelen tegen, zoals in het management van grote bedrijven waaronder sommige financiële instellingen. (9)

Makers IS
Sadistische psychopatische leiders hoeven niet perse zelf fysiek tot ernstige misdaden over te gaan. Maar zij zullen hiervan wel vaak getuige zijn of er weet van hebben wanneer leden lager in rang deze in opdracht van hen uitvoeren. Ik veronderstel dat veel van de oud-officieren van Sadam Hoesein die IS vorm hebben gegeven (10) een dergelijke persoonlijkheidsstructuur hebben. Door de heftige vernederingen na de val van hun leider zinnen zij waarschijnlijk al jaren op wrede wraak. Verder waren ze binnen het bewind onder Sadam gewend om als hoge militairen opdracht te geven tot het plegen van gruwelijke wandaden tegen mensen, zoals het gebruik van gifgas tegen de Koerden in Noord-Irak.
De opzet van het Kalifaat geeft de psychopaten de legitimatie om zonder scrupules hoofden af te hakken en andere gruwelijke misdaden te plegen. De motivatie van de hogere Iraakse militairen bij het creëren van IS is mogelijk niet in de eerste plaats religieus van aard. Religie is volgens Christof Reuter slechts een middel voor hen om weer aan de macht te komen. (10) Jonge Westerse jihadisten die ideologisch worden gedreven tot de jihad worden door deze hogere militairen dus zonder scrupules gebruikt voor eigen machtswellustige behoeften. Dit past opnieuw in hun psychopatische plaatje.

Groepsdynamiek
Veel normaal functionerende mensen kunnen onder groepsdruk en het gezag van een autoriteit grensoverschijdende gedrag vertonen. Ik herinner jullie aan het experiment naar conformisme in de jaren ’70. Hierbij bleek dat minstens 50 % van de proefpersonen onder invloed van deze conformeringsmechanismen in staat te zijn een ander mens pijnlijke elektrische schokken toe te dienen. Ook tijdens de WO II bleken doodgewone Duitsers – door sectarische bewustzijnvernauwing en angst voor represaille-maatregelen binnen het totalitaire systeem, in staat misdaden tegen de menselijkheid te plegen. In elk volk blijken in een andere tijd onder andere omstandigheden vele mensen tot zoiets in staat. Laten we ons daarover geen illusies maken. Een stevige mix van onafhankelijk denken, een laag angstniveau en veel empathie, is bijna de enige remedie tegen het ingezogen worden in een dergelijke groepsdynamiek.
Sectarische bewustzijnsvernauwing lijkt op massahysterie, maar gaat behalve met angst ook met dwang gepaard. Verder wordt sectarische bewustzijnsvernauwing meer door rationalisaties bepaald (van obsessieve aard) en door een strakke, dogmatische structuur. IS is strak en militair opgezet, met veel geheime diensten die ook elkaar bespioneren. (10) Dat geeft grote onveiligheid in de groep, want je kunt daardoor niemand vertrouwen.
Bij massahysterie krijgen juist primitieve emoties meer de vrije loop (en zijn cognities slechts een afgeleide hiervan), zodat er eerder sprake is van chaos dan van stuctuur. Sectarische bewustzijnsvernauwing is naar binnen gericht (de isolatie is een onderdeel van het proces van radicaliseren), terwijl massahysterie zich juist als een vlek naar buiten toe uitbreidt.
Eenmaal in het Kalifaat is er sprake van een totalitair systeem, waar je je als lid niet tot nauwelijks meer aan kunt onttrekken. Dan nemen bij velen de groepsdynamische factoren de overhand boven de individuele. Maar de individuele factoren (gebrek aan inlevingsvermogen door onveilige hechting, straatcultuur en maatschappelijke vernederingen), bepalen wel de gevoeligheid om ontvankelijk te worden om ingezogen te worden in IS.

Antisociale en borderline ontwikkeling
In plaats van dat wij het gedrag van die rotjochies in onze wijken als een cry for help opvatten, negeren wij dit vaak, of gaan tot repressie over. Hoewel gezegd moet worden dat opbouwwerkers in bepaalde projecten zeer goed werk doen om de jongeren binnen boord te houden.
Uit onderzoek blijkt dat er een causaal verband is tussen verwaarlozing en harde straffen enerzijds en onveilige hechting anderzijds, met een grotere kans op een antisociale of borderline ontwikkeling. (2)
En IS hééft een interne borderline – en antisociale organisatie. Kenmerken daarvan zijn het zwart-wit denken, het ‘als je niet volledig vóór ons bent, ben je tegen ons’ en de diepe, suïcidale razernij die zich richt op onze samenleving. Een samenleving die hen vernederde en die tevens als pleisterplaats dient om andere verinnerlijkte gekwetse gevoelens te kanaliseren en projecteren.
Onverwerkte heftige angst wordt regelmatig omgezet in woede en destruktie. Dit kennen we ook van de posttraumatische stressstoornis. En diepe depressies die met veel angst gepaard gaan, leiden ook eerder tot suïcides dan depressies met minder angst. Angst vermomt zich dus regelmatig als agressie. Ook haat heeft vaak als doel het ‘ik’ te beschermen tegen verdere aantasting van de eigenwaarde als reactie op een ernstige narcistische krenking. Hetzelfde geldt voor jaloezie die een drijfveer voor haat kan zijn.

Jaloezie en haat
De diepgaande haat van jihadisten tegen het Westen komt echter niet alleen voort uit ondergane vernederingen en de arrogante houding van het Westen ten op zichte van andere culturen (waaronder de moslimcultuur). Die haat bestaat in mijn optiek namelijk – behalve uit afkeuring, walging, angst en afstoting – ook uit een angstaanjagende aantrekkingskracht en afgunst ten op zichte van onze vrije, hedonistische cultuur. Omdat aantrekkingskracht tot de vijand een zeer gevaarlijke emotie is, moet deze met kracht onderdrukt worden. Hierdoor wordt de haat zo vernietigend groot. Deze verzengende haat weerspiegelt echter ook de angst van jihadstrijders. De zelfdestruktieve haat wijst op doodsdrift waarbij zoveel mogelijk mensen – waarop de haat zich richt – mee de dood ingenomen moeten worden. Deze doodsdrift wordt gerationaliseerd door zichzelf voor te houden dat zijzelf als martelaars van Allah sterven. Het ultieme herstel van het geschonden eergevoel.

Groepsdier en gedrag
Een mens is een zoogdier dat in groepen leeft. Als onze samenleving geen veilige groep biedt waar je ‘wordt gezien en erkend’, zoekt een mens het een deurtje verderop. Het zijn van oorsprong geen kwaadaardige driften, maar juist diepmenselijke behoeften die jongeren rijp maken voor IS. The feeling of belonging. (2,8)
Naast zeer stevige curatieve maatregelen om IS als een kankergezwel met uitzaaiingen op afstand te bestrijden, moeten we mijn inziens ook preventieve maatregelen met zachte hand nemen om een níéuwe generatie Westerse jihadstrijders te voorkomen. Dat kunnen we doen door vroeg in het socialisatieproces van kinderen in te grijpen. Mijn ervaring is, dat je bij sommige jongens al op achtjarige leeftijd te laat bent. (5,6) Behalve dat ouders en kinderen verplicht naar een consutatiebureau moeten, zou dit ook voor een opvoedingscursus moeten gelden. Niet gesegregeerd, zodat we elkaar beter leren kennen en van elkaar kunnen leren. Dit kan tevens bijdragen aan de broodnodige groepshechting die onze gefragmenteerde samenleving ontbeert. (2) Onze samenleving prioriteert lichamelijke zorg tot nu toe boven geestelijke zorg. Dit zou in evenwicht moeten zijn.
Verder lijkt het me nuttig om jongeren die op de drempel staan te radicalieren en zich aan te sluiten bij IS – of zich hierdoor laten inspireren – in te lichten over de werkelijke motieven van de oude legertop van Saddam Hoessein. Dat zij onder valse voorwendselen naar IS toe worden gelokt. De uitdaging zal zijn om de juiste social media en de juiste toon te vinden om hen te bereiken. Zoals de rattenvangers van IS de kunst verstaan om jongeren te brainwashen, moeten ook wij proberen hen positíéf te beïnvloeden.
Als psychotherapeut heb ik geleerd dat je niet kunt snoeien zonder er iets voor in de plaats te stellen. Ook daar moet over nagedacht worden. Iets wat uitdagend genoeg is voor een adolescent, een hoger ideaal vertegenwoordigd en jongeren een belangrijke plek in de samenleving geven. Zij moeten zich nodig voelen. Laten we onze jongeren hierbij blijven steunen: met liefde, aandacht, geduld en volharding!

Literatuur
1.Pfeiffer, Ija Leonard (2015). Ik woon in de lichtstad, het licht is onbereikbaar. NRC: 28 nov. 2015.
2. Rus, Carla (2006). Bruisend en breekbaar. Jongeren op drift door gefragmenteerde maatschappij. Tijdschrift voor Humanistiek. Universiteit voor Humanistiek. Utrecht: dec. 2006: pp 99-110; én op deze website onder: Artikelen, cat. C.
3. Rojatte, Franca (2015). ISIS: nella mente delle terroriste? (Wat speelt speelt zich af in de geest van de terrorist?) Intervieuw met mij over motieven van vrouwelijke jihadisten. In de Italiaanse Panorama (02-01-2015) en op deze website: bij Artikelen, cat. H.
4. Rus, Carla (2010). Wegkwijnen in ontheemding. Debatartikel in het Maandblad voor de Geestelijke Volksgezondheid (MGV); en op deze website: bij Artikelen, cat. C.
5. Rus, Carla (2004); Marokkaanse moeder te machteloos. De Volkskrant (18-11-2004).
6. Rus, Carla (2007). Rotjochies in Slotervaart soms ziek, maar niet zielig. Dagblad Trouw (25-10-2007); en op deze website: bij Artikelen, cat. C.
7. Rus, Carla (2005). Mohammed B.: agressief geboren of geworden? Het Parool (26-07-2005); en op deze website: bij Artikelen, cat. C.
8. Rus, Carla (2006). De lokroep van de Islam. Maandblad Opzij (sept. 2006) en op deze website: bij Artikelen, cat. H.
9. Babiake, Paul en Hare, Robert (2006). Snakes in suits. When psychopats go to work. Uitgev.: Harper Collins (UK).
10. Reuter, Christoph (2015). Der Schartze Macht. Der islamitische Staat und der Strategen des Terrrors. Uitgev. Der Spiegel.

Zie ook andere artikelen over dit onderwerp op deze site onder cat. C en cat. H. Zoals bijvoorbeeld: Emancipatie Marokkaanse moeder beschermt tegen jihad. (2004). In Trouw, 06-12-2004.
Lees verder

Gedreven door verbazing

Gedreven door verbazing

Over Ad van Liempt

Grensverleggend is zijn werk niet, maar veelzijdig en omvangrijk wel: televisiemaker Ad van Liempt schrijft sneller dan zijn schaduw. Altijd op zoek naar wat de mens beweegt en met een bijzondere interesse in de oorlog. Want 'in de oorlog wordt al het menselijke uitvergroot'.

Volkskrant, 28-10-2014, Auteur: Sander van Walsum

Verbazing is de bron van het omvangrijk levenswerk van schrijver en gewezen programmamaker Ad van Liempt. Hij verbaasde zich erover dat Nederland zo kort na Tweede Wereldoorlog, nog niet bekomen van uitputting en verwoesting, ten strijde trok tegen de Republiek Indonesië. Hij verbaasde zich over de ambtelijke onverschilligheid die overlevenden van de Holocaust na terugkeer in Nederland ten deel viel. Over het feit dat mensen tijdens de Duitse bezetting tegen betaling van een paar gulden informatie verstrekten over de verblijfplaats van Joodse landgenoten - om het kopgeld in het dichtstbijzijnde café om te zetten in drank.
Op de verbazing volgde, als vanzelf, het boek, zegt jeugdvriend (en oud-collega bij het Utrechts Nieuwsblad) Gerard Veerkamp. 'Hoe vaak ik Ad niet heb horen uitroepen: 'hé, is daar nog geen boek over geschreven?' Dan kon je er donder op zeggen dat dat boek er binnen afzienbare tijd alsnog kwam. Want Ad schrijft ongelooflijk snel', zegt Veerkamp. 'Sneller dan zijn schaduw', weet zijn uitgever Plien van Albada (Balans). Weinig van haar auteurs zijn zo productief en zo veelzijdig. Hij tekende de geschiedenis op van Het Journaal. Hij verdiepte zich in het conflict, midden jaren negentig, tussen procureur-generaal Arthur Docters van Leeuwen en toenmalig minister van Justitie Winnie Sorgdrager. Hij reconstrueerde de Nederlandse voetbalcompetitie 1957/'58, die culmineerde in het landskampioenschap van DOS - een van de voorgangers van FC Utrecht, de club waarmee Van Liempt zich nog altijd innig verbonden voelt.
Maar de Tweede Wereldoorlog en zijn nasleep - ook in voormalig Nederlands Indië - vormen toch de hoofdthema's van zijn oeuvre. 'In de oorlog wordt al het menselijke uitvergroot', zegt Van Albada. 'De oorlog herbergt dus de thema's die Ad het meest interesseren.' Op dit moment werkt hij aan een boek over de Utrechtse Maliebaan waar tijdens de Duitse bezetting alle uitersten van die tijd samenkwamen: van het hoofdkwartier van de NSB tot het aartsbisschoppelijk paleis en van de lokale SD-centrale tot bolwerken van het verzet.
'De vraag 'wat beweegt de mens' heeft Ad altijd sterk beziggehouden', zegt Carel Kuyl, mediadirecteur van de publieke taakomroep NTR en voormalig collega van Van Liempt bij NOS Laat en Nova. 'Het kwaad fascineert hem, maar hij heeft ook oog voor het goede in de mens.' De aanhoudende blootstelling aan oorlogsellende en menselijke zwakheid heeft hem niet cynisch of neerslachtig gemaakt, weet vriend en oud-collega Tony van der Meulen (voormalig hoofdredacteur van De Tijd en Brabants Nieuwsblad). 'Hij heeft eerder een ironische kijk op de medemens.'

Indringer
Maar is de autodidact Van Liempt ook een historicus? 'Formeel is hij dat natuurlijk niet', zegt emeritus hoogleraar Cees Fasseur, de biograaf van - onder anderen - koningin Wilhelmina en oorlogspremier Pieter Sjoerds Gerbrandy. 'In die zin dat hij niet een wetenschappelijke opleiding als historicus heeft genoten. Dat doet uiteraard geen enkele afbreuk aan zijn grote verdiensten voor de popularisering van de geschiedenis. En zei Johan Huizinga al niet dat geen wetenschap de deuren zo wijd heeft opengezet voor buitenstaanders als de geschiedenis? Toch zullen er ongetwijfeld vakgenoten zijn die hem als een indringer zien. Ikzelf voel die bezwaren niet. Van Liempt heeft een heel plezierige penvoering. En als ik zijn boeken lees, heb ik niet de neiging om voortdurend naar het rode potlood te grijpen.'
Soms schiet Van Liempt in zijn hang naar popularisering wat door, meent Fasseur. 'Zo had ik zelf niet zoveel behoefte aan die uitzending in het format van het NOS Journaal over de eerste politionele actie, in 1947. En van zijn project De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen vroeg ik mij af: had je dat nou niet aan een historicus met museale ervaring kunnen overlaten? Maar dat zijn slechts kanttekeningen bij activiteiten waarvoor ik verder veel waardering heb.'
Grensverleggend is het werk van Van Liempt niet. Hijzelf stelt zich slechts ten doel 'de kleilaag tussen wetenschap en publiek' weg te bikken. Met die taakopvatting komt hij ook maar zelden in botsing met beroepshistorici - en al helemaal niet met het publiek. 'Ik ben weleens met Ad mee geweest naar een lezing', zegt Tony van der Meulen. 'Na afloop werd hij belaagd door bejaarde groupies die hem dagboeken en schriftjes uit de oorlog wilden laten zien. Het is ongelooflijk hoe geduldig hij daar het hoofd aan biedt. Op dat moment had ik daar minder waardering voor, want het glas wijn dat we nog samen hadden zullen drinken, is er jammerlijk bij ingeschoten.'
Hooguit oogstte Van Liempt enig weerwerk met zijn vaststelling dat de Nederlandse economie gedurende de eerste jaren van de Duitse bezetting floreerde. Die voorstelling van zaken, hoe stevig de statistische onderbouwing ook is, staat nu eenmaal op gespannen voet met de herinneringen die oudere Nederlanders aan deze episode hebben. Psychiater Carla Rus, dochter van een Zeeuwse verzetsman, verweet Van Liempt dat hij de keuze tussen 'goed' en 'fout' als de uitkomst zag van een min of meer toevallige samenloop van omstandigheden en niet als de uitkomst van een indringend gewetensonderzoek. Tot grotere controverses hebben de publicaties van Van Liempt zelden aanleiding gegeven.
Dat geschiedenis in zijn leven zo'n grote rol zou spelen, lag niet in de lijn der verwachtingen toen hij in de jaren zestig het Utrechtse St. Bonifatius Lyceum bezocht. Van het gezin waarin Van Liempt opgroeide was hij - de jongste - de enige 'die kon leren'. Geschiedenis was geen thema aan de keukentafel van zijn ouderlijk huis. En van de docent geschiedenis op het gymnasium ging evenmin een positieve prikkel uit, herinnert jeugdvriend Gerard Veerkamp zich. 'Die man ging niet voor niets als 'de Big' door het leven. Generaties leerlingen maakte hij het leven zuur, niet alleen met enkele delen van het uitermate vervelende standaardwerk De geschiedenis van de mensheid, maar ook omdat hij foute antwoorden van leerlingen altijd bulderend bekritiseerde.'
Meer belangstelling had de jonge Van Liempt voor voetbal, kaarten en tafeltennis - een sport die hij op hoog niveau bedreef, en waarin hij voor iemand van zijn leeftijd (65) en gewicht (onbekend) nog altijd een opvallende souplesse aan de dag schijnt te leggen.
Van Liempt ging in Utrecht klassieke talen studeren maar hield dit snel voor gezien. 'Het was 1968', zei hij later over het vroege einde van zijn academische loopbaan. 'Ik werd helemaal gek van het feit dat de wereld in brand stond en wij ons met Plato moesten bezighouden'. Hij vond emplooi als leerling-journalist bij de Utrechtse krant Het Centrum. Hij begon in november 1968. In de Verenigde Staten versloeg Richard Nixon zijn Democratische rivaal Hubert Humphrey bij de presidentsverkiezingen. Van Liempt mocht die dag een bericht bewerken van een aanrijding bij Bunnik.

Teamspeler
In 1971 werd Het Centrum, inclusief (sport-) verslaggever Ad van Liempt, overgenomen door het Utrechts Nieuwsblad. Hij werd chef nieuwsdienst, stapte over naar de televisie, waarvoor hij onder andere werkte als chef Binnenland van het NOS Journaal, chef van Studio Sport, eindredacteur en chef van NOS Laat en Nova. Zijn finest hour bij de televisie beleefde hij als bedenker (en uitvoerder) van het geschiedenisprogramma Andere Tijden, waarvoor hij in 2001 met de Zilveren Nipkowschijf werd gehuldigd en producent van de twaalfdelige reeks De Oorlog.
'Als leidinggevende beleefde hij niet zijn gelukkigste jaren', zegt Carel Kuyl. 'Als teamspeler is Ad geweldig. Maar hij is niet de man die, als het nodig is, met de vuist op tafel slaat en zegt: zo gaan we het doen. Hij was de man van de harmonie. Hij wilde vooral het goede zien in de bijdragen van zijn redacteuren en niet het slechte. Dat leverde niet altijd de beste kwaliteit op. Daarvan was Ad zich overigens terdege bewust.'
Als leidinggevende gaf hij blijk van een vaderlijke taakopvatting, zegt Veerkamp. 'Toen een televisieploeg van Andere Tijden afreisde naar Indonesië, kwam hij naar Schiphol om ze uit te zwaaien. Hij vond dat je als chef het hardst van allemaal moest werken, dat je als eerste op de redactie moest zijn en als laatste moest vertrekken. 'Daar ben ik nogal ouderwets in', zei hij.'
De meest ingrijpende gebeurtenis in zijn leven was - denkt Veerkamp - het ongeluk waarbij zijn dochter Marieke eind jaren tachtig betrokken raakte. 'Ze was 13 toen het gebeurde. Maanden lag ze in coma. Haar kortetermijngeheugen heeft zich nooit meer hersteld.' Van Liempt legde zijn functie als chef Studio Sport neer om vaker bij z'n dochter te kunnen zijn. 'Elk weekend is Marieke nog bij Ad en Joke, zijn vrouw. Als FC Utrecht thuis voetbalt, gaan ze naar de Galgenwaard.'
Van Liempt was jarenlang commissaris bij zijn geliefde voetbalclub en deed de communicatie. Van het meest zichtbare privilege dat deze functie met zich meebracht, een zitplaats in de ereloge, heeft hij nooit gebruik willen maken. 'Hij is bij zijn maten in vak P gebleven. Daar gedraagt hij zich, zijn Borsalino op zijn hoofd, als rechtgeaard Utrecht-supporter: vaak mopperen en alleen juichen als daar een goede reden voor is. Als Ajax met spreekkoren wordt onthaald, voelt hij plaatsvervangende schaamte. Maar hij zal de wedstrijd er niet om mijden. FC Utrecht is nu eenmaal zijn club.'
Van Liempt zal blijven schrijven, daarover is iedereen die hem kent het eens. Misschien wat minder veel en misschien zal de nadruk wat minder op de oorlog komen te liggen. Maar de behoefte om te schrijven is even onuitputtelijk als zijn verbazing. Hij is een leraar, die mensen deelgenoot wil maken van zijn fascinatie voor het verleden. Maar een dominee is hij niet, zegt Tony van der Meulen. 'Hij heeft geen boodschap voor de mensheid. Hij zou zich dood schrikken als je naar zijn missie zou informeren.'

Verliempt
In 2010 ontving Ad van Liempt de Ere Nipkowschijf voor zijn hele oeuvre. Bij de prijsuitreiking moest juryvoorzitter Henk van Gelder hem echter laten weten dat hij het beeldje nog niet mee naar huis kon nemen omdat zijn naam er verkeerd opstond: 'Verliempt' . Van Liempt vond een Nipkowschijf met een foutje echter 'leuker dan eentje waarop alles klopt'. Bovendien had hij in 2001 al een Nipkowschijf voor Andere Tijden ontvangen. Die had, vertelde Van Liempt, de redactie glans gegeven totdat hij tijdens een potje voetbal sneuvelde 'door een onbeheerste actie van een van onze meest talentloze spelers'.

1949 Geboren in Utrecht (op 21 mei)
1968 Dagblad Het Centrum
1971 Utrechts Nieuwsblad
1982 Chef binnenland NOS Journaal
1986 Chef Studio Sport
1989 NOS Laat/ Nova / NOS Evenementen
1999 Andere Tijden/De Oorlog
2006 Bijzonder lector onderzoeksjournalistiek op televisie aan de Hogeschool Utrecht.
2011 In 2011 kende de Universiteit van Amsterdam Van Liempt een eredoctoraat toe.

zie ook: advanliempt.com

Oorlog, voetbal etc
Ad van Liempt is (co-)auteur van bijna twintig boeken over de meest uiteenlopende onderwerpen. Een kleine greep:
- Media Live! Macht, missers en meningen van de nieuwsmakers op tv (1995, met Charles Groenhuijsen) ; Het journaal: achter de schermen van vijftig jaar televisiegeschiedenis (2005)
- Oorlog De drogist: hoe een verzetsheld na de oorlog in ongenade viel (2013) ; Na de bevrijding: de loodzware jaren 1945 - 1950 (2014)
- Sport DOS: het wonder van Utrecht: reconstructie van de voetbalcompetitie 1957/1958 (2008); Studio Sport 50 jaar: sportverhalen van toen en nu (2009, met Jan Luitzen)

Carel Kuyl Voormalig collega van Van Liempt bij NOS Laat en Nova : Hij was geen man van de vuist op tafel, hij was een man van harmonie

Zeelands vergeten oorlog

Zeelands vergeten oorlog

Zeeuwen, die waren al bevrijd toen de oorlog elders in Nederland zijn finale beleefde. Door deze gedachte verloor Nederland het zicht op de Slag om de Schelde. Psychiater Carla Rus zoekt naar de motieven en pleit voor erkenning.

Trouw (Letter & Geest). 4 april 2015

Slag om de Schelde Essay

Schermafbeelding 2015-07-16 om 07.29.32 Schermafbeelding 2015-07-16 om 07.29.00

Wanneer je aan een Nederlander vraagt of hij de Slag om de Schelde uit de Tweede Wereldoorlog kent, zal het antwoord meestal ‘nee’ zijn. De mislukte Slag bij Arnhem (Operatie Market Garden) kent iedereen. Maar de gelukte – voor het winnen van de oorlog onmisbare – Slag om de Schelde kent bijna niemand.

Wat betekent het voor Zeeuwen en Brabanders dat er jaar in jaar uit op het journaal in een achteloos bijzinnetje wordt gemeld: ‘Het zuiden was al bevrijd’? Alsof die bevrijding zonder slag of stoot is gegaan. Het tegendeel is het geval. Het was de heftigste veldslag op ons grondgebied. Voelen Zeeuwen zich door deze loochening miskend, achtergesteld, in de steek gelaten, misschien zelfs verraden door Nederland? Hoe is dit voor de mensen die het zelf hebben meegemaakt, zoals mijn 91-jarige vader Jaap Rus, een van de laatst overgebleven Zeeuwse verzetsmensen? Of voor de naoorlogse Zeeuw die de traumatische verhalen van zijn (groot)ouders in hoofd en hart meedraagt? Zoals voor Kees Traas en zijn zoon Stef, die het Bevrijdingsmuseum Zeeland hebben opgericht?

Bij mijzelf (ik woon al het grootste deel van mijn leven in de Randstad) roept het verbazing en schaamte op. De Zeeuwse historicus Hans Sakkers verwoordt het zo: “Holland heeft het monopolie op de visie op de oorlog.” Hij schrijft al jaren het ene goed gedocumenteerde boek na het andere over Zeeland in de oorlog. Vooral Zeeuwen lezen ze. Wat is de psychologie achter dit vergeten van deze belangrijke slag waar de Zeeuwen zo onder geleden hebben?

De Slag om de Schelde duurde 85 dagen lang en eindigde op 8 november 1944.
Deze had tot doel de oevers van de Westerschelde op de bezetter te veroveren, zodat via de zeearm de Westerschelde de havenstad Antwerpen gebruikt kon worden. De aanvoerwegen via de noodhaven bij Normandië waren namelijk te lang geworden en er was dringend behoefte aan aanvoer van vers materieel. Bij deze Slag vielen 45.000 slachtoffers (doden, gewonden, vermisten en ontheemden) onder zowel burgers als militairen. Er kwamen 1500 Brabantse en Zeeuwse burgers bij om. 

Verwoestingen in Zeeuwse dorpen eind 1944.

Verwoestingen in Zeeuwse dorpen eind 1944.          FOTO’S ZEEUWS ARCHIEF

In het boek ‘Terrible Victory’ van Mark Zuehlke verzucht de Canadese luitenant Hayward hartgrondig: “Die Schelde was een hel op aarde.” Het Brabantse Woensdrecht werd platgebombardeerd om de toegangspoort tot Zuid- Beveland, de Kreekrakdam, te ontzetten: 500 burgerdoden. Ook het stadje Breskens op Zeeuws-Vlaanderen werd met de grond gelijk gemaakt: honderden doden. Op vier plaatsen bombardeerden de Britten de dijken van Walcheren voor de inundatie (onderwaterzetting) waarmee voor de tweede keer (net als in Normandië) de Atlantikwall werd doorbroken. Daarbij werd het dorpje Westkapelle volledig verwoest: weer vele doden. Families die zich hadden verscholen in de molen verdronken. Door heftige straatgevechten in de havenstad Vlissingen vielen opnieuw doden en bleef slechts één huis onbeschadigd.

De Canadezen vielen ook de Atlantikwall aan. Niet zoals de Britten vanuit zee, maar vanuit het oosten, dus vanaf de achterkant. Zij moesten hiervoor via Zuid-Beveland de Sloedam over om Walcheren te bereiken. De strijd om de Sloedam vlakbij Nieuwdorp, waar de (groot)vader van Stef en Kees Traas woonde, was langdurig en heftig. Verzetsmensen van de groep-Kloosterman op Zuid-Beveland, waartoe mijn vader behoorde, hebben de Canadezen hierbij geholpen. Dat deden ze door hen, met gebruikmaking van lokale kennis van het moeilijk begaanbare, slikkerige gebied, de weg te wijzen, zelf mee te vechten en Duitse soldaten gevangen te nemen. Meerdere verzetsleden hebben de oorlog niet overleefd. De grootvader van Stef was zeer onder de indruk van deze heftige bevrijding bij de Sloedam en meldde zich hierna aan bij het Zeeuwse Bataljon om de rest van het land te helpen bevrijden. Maar hij werd naar Indië gezonden. Veel getraumatiseerde nabestaanden op Walcheren werden door de inundatie dakloos. In de winter die volgde, zochten zij soms een onderkomen in de door de Duitsers achtergelaten kille, vochtige bunkers.

'Mijn vader vraagt zich berustend af of de foutieve beeldvorming over deze slag ooit te keren is'

Waarom is deze bloedige, belangrijke slag niet in de geschiedenisboekjes terechtgekomen? Wat zou de psychologie achter deze loochening kunnen zijn? Wie schaamt zich of voelt zich hier schuldig aan? Is er angst voor imagoschade of huizen er in deze vergetelheid misschien onderliggende machtsconflicten? Komt het omdat Zeeland een groot deel van de oorlog Sperrgebiet was? Hierdoor konden niet-Zeeuwen Zeeland nauwelijks in en uit. Gijs van der Ham schrijft in zijn proefschrift dat daardoor de toch al afgezonderde provincie nog verder werd geïsoleerd. Of is het veel trivialer: vindt het Nederlandse publiek Operatie Market Garden gewoon sexyer met zijn heroïsche luchtlandingsoperatie en de tere parachutes die als vlinders naar beneden komen dwarrelen?

Jaap Rus, een van de verzetsmensen van Zuid-Beveland.

Jaap Rus, een van de verzetsmensen van Zuid-Beveland.
FOTO MECHTELD JANSEN

Wanneer ik het mijn vader vraag, kom ik de bescheiden, nuchtere Zeeuw in hem tegen: “De rest van Nederland was nog bezet en boven de rivieren had men nauwelijks weet van onze slag. Bovendien ging Holland die vreselijke Hongerwinter nog in. Ze hadden genoeg aan zichzelf. Na de algehele bevrijding van Nederland likte men overal zijn eigen wonden. De zwaar getroffen Zeeuwen waren te getraumatiseerd om de Slag om de Westerschelde uit te venten als de belangrijkste slag op Nederlands grondgebied. En toen de Zeeuwen zich net weer een beetje bij elkaar hadden geraapt, volgde begin 1953 de Watersnoodramp. Opnieuw 1800 doden. Weer verdronken de polders in het zoute zeewater, opnieuw raakte de kleigrond vijf jaar lang onvruchtbaar. Pas toen de kruitdampen op de slagvelden al lang waren opgetrokken en de grond droog was, gingen de Zeeuwen – ook ikzelf – pas beseffen welke historische slag hier in Zeeland was geleverd.

De Zeeuw vraagt niet zo snel aandacht voor zichzelf en klopt zichzelf niet gauw op de borst. Het is het type van niet klaegen, maer draegen. Toch merk ik dat mijn milde vader soms onderdrukt geïrriteerd reageert wanneer de nationale media de Zeeuwen weer eens vergeten. Zoals bij de serie ‘De oorlog’ in 2009 van Ad van Liempt. Hierin werd de Slag om de Schelde niet eens genoemd”. 70 jaar na de oorlog staat de gewonnen slag op Zeeuws grondgebied nog steeds in de schaduw van de verloren Slag om Arnhem. Bij Arnhem vielen slechts enkele burgerdoden. Hierover zegt mijn vader: “Wij behoeven niet te concurreren, daar is de oorlog niet voor.”

Motieven van gewone Zeeuwen om decennialang niet meer over hun veldslag te willen praten, waren vooral traumatisch van aard. Er waren toen nog geen traumateams, en verdringen verschaft op korte termijn de beste geestelijke bescherming. Maar wat zijn de motieven van het opperbevel om deze slag wat weg te moffelen? Schamen de generaals zich ergens over en spelen primitieve driften hierbij een rol? Hoe zit het met onze regering in ballingschap en de top van de Irenebrigade in Londen: voelen zij zich ergens schuldig aan of hebben ze de Zeeuwen domweg vergeten? Bij grote strategische beslissingen maakten de VS en Engeland samen de dienst uit. Kleinere bondgenoten, zoals Nederland, hadden geen enkele invloed op strategische beslissingen, zo lezen we in het boek ‘De bevrijding van Nederland 1944-1945. Oorlog op de flank’ van Christ Klep en Ben Schoenmaker.
Dus de regering in ballingschap hoeft zich niet verantwoordelijk te voelen dat ze van tevoren niets afwist van deze grote slag, waarbij je veel collateral damage kon verwachten. Ook hoeft het opperbevel van de Irenebrigade zich niet schuldig te voelen dat zij niet hebben meegevochten met deze grootste slag op eigen grondgebied. Maar het staat wel een beetje sneu. Er hebben slechts 13 commando’s interallied met de Britten meegevochten. Geen van hen is gesneuveld. Ook de Canadezen werden tijdens de besluitvorming vergeten.
In het boek ‘Cinderella Army’ van Terry Copp klinkt de klacht dat het eerste Canadese leger niet uitgenodigd was voor ‘het bal’ van de groten om door te stoten naar het hart van nazi-Duitsland en slechts de taak kreeg de Kanaalhavens te veroveren. Snel doorstoten had een hogere status dan voeding en verzorging: de aanvoer van brandstof, vers materieel en verzorging voor de soldaten.

Archetypisch worden begrippen als prestatie, moed en risico’s nemen, tot animus (het mannelijke) gerekend. Bron, navelstreng en verzorging vallen onder anima. Indien deze twee krachten niet in balans zijn, leidt dit tot scheefgroei. Domineert animus, dan kan agressie de overhand krijgen of wordt er roofbouw op bronnen gepleegd. Helaas wordt anima in het openbare leven vaak ondergewaardeerd en overheerst daar het riskante kortetermijndenken. Waarschijnlijk wilde Eisenhower zó graag de verstandhouding met de Britten goed houden dat hij, tegen het advies van zijn eigen generaals in, de obsessieve Montgomery zijn zin gaf met zijn prestigeobject Operatie Market Garden.
Ondanks nijpende bevoorradingsproblemen kreeg dit gevaarlijke plan van ‘Monty’ voorrang boven de dringend noodzakelijke Slag om de Schelde. Het zou een flitsaanval worden waarbij de narcistische Monty met een smal front de Rijn zou oversteken om als eerste rechtstreeks het hart van nazi-Duitsland binnen te trekken. Deze stootactie ging vóór het oplossen van de nijpende bevoorradingsproblemen – animus domineerde. Het westfront van de Amerikaanse generaals Bradley en Patten leed onder het gebrek aan bevoorrading. De Scheldemonding, die begin september 1944 nog zonder aanzienlijke problemen ingenomen had kunnen worden, moest uiteindelijk met veel geweld en ten koste van onnodig veel levens alsnog worden veroverd.
Operatie Market Garden had de bezetter immers een maand lang de kans gegeven zich te hergroeperen. Hitler had altijd al het belang van de Schelde ingezien, waardoor de Atlantikwall op Walcheren heel sterk was. Maar in deze fase van de oorlog gaf Hitler zijn manschappen opdracht de Schelde tot de laatste snik te verdedigen. De Schelde veranderde in een vesting.

Je wilt als bevrijder het liefst te boek staan als helper en niet als dader. Deze verlate, en daardoor onnodig bloedige slag, is niet iets om trots op te zijn. Mogelijk rusten er dus schaamte- en schuldgevoelens op de kwestie, vanwege de verkeerde keuzes die eraan voorafgingen. Daar wil je als bevrijder liever niet te veel aan herinnerd worden. Ook onverschilligheid speelt een rol. De Slag om de Schelde was immers slechts een slag om de navelstreng en dus van mindere status. Liberation of the NetherlandsAchterblijvers zijn de Canadezen en de Zeeuwen die nog weten hoe erg het was. Zij worden opgeofferd aan het diepe menselijke verlangen om ellende waar je je toch ergens medeplichtig aan voelt, te willen vergeten. Elk jaar weer betreuren en eren de Canadezen en de Zeeuwen samen in Zeeland hun vele doden. Als twee onaanzienlijke kleine jongens die over het hoofd worden gezien door de populaire grote jongens, maar die een hechte vriendschap hebben gesloten in de wetenschap dat alleen zij tweetjes weten hoe belangrijk het was wat zij deden. Eisenhower schrijft in zijn memoires dat het prioriteren van Operatie Market Garden boven de Slag om de Schelde een van zijn grootste inschattingsfouten tijdens de Tweede Wereldoorlog is geweest.

Mijn vader vraagt zich haast berustend af of de ingekerfde foutieve beeldvorming over deze slag ooit te keren is. “De Slag om de Schelde vormt al 70 jaar geen onderdeel van ons nationale geheugen en deze ontkenning wordt voortdurend gevoed en onderhouden door media en onderwijs. De meeste Zeeuwen zullen hier niet de barricaden voor opgaan. Het algemene gevoel van Zeeuwen is toch dat hun provincie voor mensen boven de rivieren te ver weg ligt.”
Ook ik weet als psychiater dat het moeilijker is verkeerde zaken af te leren dan nieuwe aan te leren. Maar ik heb ook geleerd van mijn cliënten (bij wie soms de ergste verschrikkingen in hun geheugen staan gegrift) dat er altijd hoop op verandering is. En de Zeeuwen hebben niet voor niets Luctor et Emergo in hun wapen staan. Met toegenomen zelfvertrouwen proberen naoorlogse Zeeuwen alsnog de rol die hun kleine provincie heeft gespeeld in het grote oorlogsgebeuren voor het voetlicht te brengen.
Stef Traas breidt binnenkort het Bevrijdingsmuseum Zeeland uit: ‘Opdat wij niet vergeten’. Er werken hier ondertussen honderd vrijwilligers. Hans Sakkers is alweer bijna klaar met een nieuw boek dat de visie op de oorlog kan veranderen. “Wij hoeven als Zeeuwen geen waardering, alleen erkenning.”

Op 5 mei 2015 wordt de nationale bevrijding in Vlissingen gehouden. Doordat de bevrijding voor de Zeeuwen zo traumatisch was, wordt ze in Zeeland nooit gevierd, maar herdacht. Zal de koning dan de aanzet kunnen geven dat Assepoester Zeeland eindelijk ook voor het bal wordt uitgenodigd? Nederlanders moeten zich goed realiseren dat zónder deze gewonnen Slag om de Schelde er een gerede kans zou zijn geweest op een tweede hongerwinter. Deze slag verdient een eerlijke plaats in de vaderlandse geschiedenis.

Mijn vader heeft gekozen

Mijn vader heeft gekozen

De vader van psychiater Carla Rus ging tijdens de Tweede Wereldoorlog bij het verzet in Zeeland. Ze is trots op hem: zijn ethische opstelling heeft grote invloed gehad op haar eigen leven. Rus hekelt de opvatting van historici als Ad van Liempt, die het 'goed' of 'fout' zijn in de oorlog niet als morele keuze beschouwen, maar aan de toevallige loop der dingen toeschrijven.

In: Trouw (Letter & Geest). 24 april 2010.

Wij staan op de grens waar herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog overgaan in de geschiedenis hiervan. Zo heeft de Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland besloten zichzelf dit jaar op te heffen, vanwege de hoge ouderdom van de overgebleven leden. Op deze scheidslijn verschenen eind 2009 'De Oorlog' van Ad van Liempt en 'Goed en Niet fout' van Koos Groen. Deze boeken markeren een paradigmawisseling in het denken over de oorlog. Het klassieke goedfout denken dat tot de jaren tachtig in zwang was, is verlaten. Historica Barbara Henkes spreekt over een 'grijs perspectief', waarin daders en slachtoffers zomaar stuivertje kunnen wisselen en iedereen slachtoffer is van de onafwendbare loop der geschiedenis.

Als dochter van een verzetsman vind ik dat Van Liempt is doorgeschoten in een te abstracte, amorele visie op de oorlog. Zowel in zijn boek, als in zijn - overigens prachtige - gelijknamige televisieserie. Hij lijkt te vergeten dat er nog steeds mensen leven die de oorlog in vol besef hebben meegemaakt. De morele dilemma's waarvoor zii. zich in de oorlog geplaatst zagen, staan bij sommigen nog in hun geheugen gegrift.
Ik heb het voorrecht een vader te hebben die de oorlog heel bewust heeft meegemaakt en die in het Zeeuwse (ongewapende) verzet zat. Zijn ethische opstelling in de oorlog heeft grote invloed gehad op mijn eigen leven. Hij heet Jaap Rus, is 86 jaar, intelligent, reflectief en communicatief. Ik heb dus de kans om de door Van Liempt als geschiedenis gepresenteerde feiten te checken bij een directe getuige en kom tot de schokkende conclusie dat er in het kleine stukje dat Van Liempt aan de Zeeuwse oorlogsgeschiedenis wijdt nu al fouten zitten. Zo zwakt hij de rol die het verzet in de oorlog heeft gespeeld erg af, inclusief het Zeeuwse verzet.

Natuurlijk, het is goed om na 65 jaar genuanceerd op de oorlog terug te kijken en ieders rol zonodig te relativeren. Als psychiater weet ik maar al te goed dat naast edele motieven om het goede te doen vaak ook eigenbelang een rol speelt. En bij de motieven die tot zogenaamd 'slecht' gedrag leiden, spelen vaak ook de omstandigheden van mensen mee; kwetsbaarheid, gestuwde emoties, trauma's, indoctrinatie. Ook onderschrijf ik de mening van Van Liempt dat toeval een niet te onderschatten rol speelde of je in de oorlog aan de goede of aan de slechte kant terechtkwam. Maar Van Liempt wil dit blijkbaar zo graag aantonen, dat hij zijn voorbeelden selectief kiest. Hierdoor krijgt het toeval onterecht een hoofdrol toebedeeld. Van Liempt verwaarloost het morele aspect, hij verzuimt op zoek te gaan naar de motieven in de hoofden van mensen die hun handelen bepaalden. Hierdoor dreigen de mensen die leefden tussen 1940-'45 een grijze, willoze massa te worden. Ook in tijden van nood zijn mensen niet louter speelbal van het lot. Ze staan elke dag voor dilemma's. Zelfs op de enkele vierkante millimeter toegestane bewegingsvrijheid kunnen ze nog kiezen.

Verzetsgroep Goes
Jaap Rus, mijn vader, zat bij een verzetsgroep in het stadje Goes. Dat het juist déze verzetsgroep is geworden, was inderdaad toeval: hij werd erop attent gemaakt door zijn beste vriend Wim Quakkelaar. Mijn vader was 17 jaar toen de oorlog uitbrak, zat nog op de hbs en had geen verplichtingen ten opzichte van vrouw en kinderen. Dat schiep de condities om die stoute stap te wagen. Maar toch moest hij er eerst een nachtje over slapen. Hij wist immers dat hij hierdoor grote risico's liep. De stap zelf was dus geen toeval, maar een persoonlijke keus. Van Liempt maakt mensen kleiner dan ze zijn wanneer hij ze die keuze achteraf afneemt.

Het in opstand komen tegen een totalitair regime en ernstige schendingen van mensenrechten was voor mijn vader en vele anderen een bewuste daad. Het had niets met het eigen overleven te maken, maar alles met verantwoordelijkheidsgevoel voor het grotere geheel.
Hiermee wil ik niet zeggen dat we geen begrip moeten opbrengen voor mensen die niet in het verzet gingen. Omstandigheden en angstniveau waren immers allesbepalend en bij iedereen verschillend. We kunnen ook begrip opbrengen voor mensen die 'foute' handelingen moesten verrichten, zoals spoorwegbeambten die zich niet durfden te verzetten wanneer zij Joden moesten vervoeren, uit angst hun baan te verliezen. Het was óók toeval dat deze mensen juist in de oorlog bij de spoorwegen werkten. Maar bij elk van die verschrikkelijke ritten zagen zij zich wel voor een persoonlijk dilemma geplaatst en maakten zij - vaak met pijn in hun hart - een keus: vóór hun eigen gezin en daardoor noodgedwongen tégen Joodse gezinnen.

Verdedigingsreacties
In een oorlog worden mensen psychologisch en fysiek ernstig bedreigd. Globaal hebben ze dan vier verdedigingspatronen ter beschikking: flight (vluchten), freeze (bevriezen), fight (vechten/verzetten) en submission (overgave).


Historici maken van de mensen tijdens de oorlog een grijze, willoze massa

Welke verdedigingsreactie er wordt geactiveerd is afhankelijk van de (onbewuste) taxatie welke hiervan de beste overlevingskansen biedt. Meestal biedt 'overgave' de beste overlevingskansen in oorlogstijd. Daarom hebben mensen zich in de Tweede Wereldoorlog ook zo massaal overgegeven aan het nieuwe regime, en hier passief of actief aan meegewerkt. Het leven moest voor het oog zo normaal mogelijk lijken. Dat hielp de verdringing – niet te zien wat voor verschrikkelijks er gaande was – in stand te houden en daarmee het hoofd boven water te houden.
Maar Van Liempt suggereert dat het leven voor veel mensen in de eerste vierenhalf jaar van de oorlog grotendeels ’gewoon’ doorging. Dat was veelal schijn. Als bewijs voor dit ’gewone’ leven voert hij een dagboek op van een pubermeisje, dat luchtig babbelt over een mooie jurk die ze wenst en andere verlangens die een puber zoal heeft. Dit ’bewijs’ verraadt een gebrek aan psychologisch inzicht. Waarschijnlijk verlangde dit meisje zo hartstochtelijk dat het leven gewoon doorging, dat zij in haar dagboek vluchtte naar een normale werkelijkheid. Niet iedere adolescent was, zoals Anne Frank, in staat en bereid om de gruwelijke werkelijkheid onder ogen te zien. 

De verdedigingspatronen die onder de bezettingsmacht de meeste overlevingskans boden – letterlijk en psychologisch – waren dus: vluchten (in werkelijkheid of in fantasie), bevriezen (onderduiken of je stilhouden) en overgeven. Vechten of verzetten was gevaarlijk en diende op geen enkele manier het eigen overleven. Toch is dat waar verzetsmensen voor kozen.
Het Zeeuwse verzet speelde een rol bij de strategisch zeer belangrijke Slag om de Westerschelde.
 Het is een bijna blinde vlek in onze vaderlandse geschiedenis, anders kan ik niet verklaren waarom in de serie ’De Oorlog’ wordt beweerd dat het verzet geen concrete invloed heeft gehad op het verloop van de oorlog. In de nazomer van 1944 was de havenstad Antwerpen vrijwel onbeschadigd in handen gevallen van de Britten, maar onbruikbaar omdat de toegangsweg tot die haven, de Westerschelde, nog in handen was van de Duitsers. Te lange aanvoerwegen vanaf de noodhaven in Normandië naar het front belemmerden een snelle opmars van de geallieerden.
De verwachte doorstoot bij Arnhem was mislukt. Er vielen bij deze Slag om de Schelde naar schatting 50.000 doden, zowel aan geallieerde, Duitse als Zeeuwse zijde. Zo werd de zeedijk bij Westkapelle op Walcheren door zware bombardementen doorbroken, waarbij het dorp vrijwel van de aardbodem werd gevaagd. Ook de dijken bij Veere, Vlissingen en Rammekens werden door bombardementen doorbroken, waardoor Walcheren deels onder water kwam te staan. Daarna landden de geallieerden in Vlissingen en Westkapelle. Er vonden hevige straatgevechten in Vlissingen plaats, en het hele duin- en bosgebied tot Vrouwenpolder werd van bunker tot bunker door de geallieerden heroverd. Ook bij de Sloedam – toegangspoort van Walcheren tot Zuid-Beveland – is zwaar gevochten.

Het verzet heeft de geallieerden voorafgaande aan de Slag geografische en waterstaatkundige informatie gegeven over de Atlantikwall langs de kusten van West Zeeuws-Vlaanderen en Walcheren. Ook bood het informatie en daadwerkelijke hulp tijdens de bevrijding zelf. Het officiële bestuur stond immers volledig onder Duits militair gezag, dus wie anders kon deze informatie over de lokale situatie aan de geallieerden verstrekken? Er waren verschillende aanpalende Zeeuwse verzetsgroepen bij betrokken.

Jaap Rus en Wim Quakkelaar in 1942.

Jaap Rus en Wim Quakkelaar in 1942.

Mijn vader werd vanwege zijn vervolgstudie op het Zeeuws Technisch Instituut (een soort hts) in eerste instantie vrijgesteld om tewerkgesteld te worden door de Duitsers, maar aan het eind van de oorlog gebeurde dat alsnog. Hij kwam te werken in Westkapelle bij TOT, de bouworganisatie van de Duitse Wehrmacht. Eerst wilde mijn vader onderduiken, maar zijn ondercommandant in het verzet Marien de Groot zei: „Je moet juist gaan en je ogen en oren openhouden en mij verslag uitbrengen”. Opnieuw moest mijn vader kiezen. De tewerkgestelden kwamen tijdens hun werkzaamheden – het transporteren van zand – dichtbij de verdedigingswerken. Mijn vader kon de radarpost ten zuiden van Westkapelle redelijk goed observeren en in zich opnemen, evenals de constructie van de versperringen op het strand: met dank aan zijn technisch inzicht en fotografisch geheugen. Eenmaal thuis in Goes maakte hij hier uit zijn herinnering technische schetsen van en leverde die, tezamen met de mondelinge overdracht van wat hij gezien had, af bij zijn ondercommandant. Die zou deze gegevens op zijn beurt weer doorspelen naar de geallieerden (ze hadden een eigen zender). Het was belangrijke informatie, omdat de verdedigingswerken goed verborgen lagen in bos en duinen en de luchtfoto’s in die tijd nog van slechte kwaliteit waren. In de loop van de oorlogmoest een deel van de verzetsgroep onderduiken, ook mijn vaders commandant Daan Kloosterman.
Ondercommandant Marien de Groot, die hem als commandant verving, is op 8 oktober 1944 gefusilleerd. Mijn vader is toen zeer bevreesd geweest dat het mogelijk zíjn tekeningen waren die Marien noodlottig zijn geworden. Hij heeft dit idee actief verdrongen, om door te kunnen met zijn leven. Ook Daan voelde zich erg schuldig, omdat door zíjn opdrachten mensen van zijn groep zo’n gevaar hadden gelopen, en heeft na de oorlog een serieuze suïcidepoging gedaan. Vriend Wim, die naar Limburg was gevlucht om aan gedwongen tewerkstelling in Duitsland te ontkomen, heeft op zijn onderduikadres een ernstige infectie opgelopen en is op 21-jarige leeftijd gestorven.
Ook mijn vader moest tenslotte onderduiken en is op het nippertje aan de dood ontsnapt, omdat de nacht dat de Duitsers hem bij zijn ouders zochten, hij juist ondergedoken zat bij de buren. Hij heeft de laarzen van de Duitse militairen horen stampen en is doodsbang geweest dat de Duitsers uit wraak zijn ouders en zijn drie jongere zussen zouden oppakken. Dat is gelukkig niet gebeurd.


Velen gaven zich over en werkten mee aan het nieuwe regime

Het was geen toeval wanneer je bij het verzet ging. Als dat wel zo was geweest, zouden de ruim 15.000 mensen van het georganiseerde verzet lukraak verdeeld zijn geweest over de bevolking. Maar het verzet bestond grotendeels uit gereformeerden en communisten. Mensen die principieel waren en trouw aan een hoger moreel besef. Mijn vader gelooft in God, ik niet meer. Maar beiden zijn we ervan overtuigd dat je niet zonder moraal kunt. Het is merkwaardig om te denken dat de beste houding ten opzichte van iets amoreels als een bezetting een amorele houding zou zijn. Nuanceren is goed, maar mag niet ontaarden in onverschilligheid. Ook is het ongeloofwaardig dat, zoals Van Liempt suggereert, de meeste mensen in de oorlog ’gewoon’ doorleefden. Hij heeft verzuimd onderhuids te kijken, waar al die tijd iets broeide. Dat leidde ertoe dat direct na de oorlog een verschrikkelijke volkswoede uitbrak jegens collaborateurs.
Koos Groen beschrijft in ’Fout en niet Goed’ uitgebreid deze misstanden jegens de ongeveer 145.000 SS’ers, NSB’ers en andere collaborateurs. In het kielzog van opgekropte wraakgevoelens pleegde de volksmassa veel schendingen van mensenrechten. Schokkend om te lezen. Niet alleen gewone mensen, maar ook de Binnenlandse Strijdkrachten waren hier verantwoordelijk voor.

Hoewel het goed is dat deze misstanden eens nauwkeurig worden beschreven, is er ook in dit boek sprake van een paradigma wisseling. Niet in het boek zelf, maar in een slordig zinnetje op de achterflap –ondertussen ook door Groen betreurd – wordt gesuggereerd dat het verzet verantwoordelijk was voor deze misstanden. Om te beginnen waren de verzetsmensen maar met weinigen en hebben maximaal vijf tot tien procent van de Binnenlandse Strijdkrachten uitgemaakt. De rest bestond uit jongemannen die zich na de oorlog gewoon konden aanmelden. Jongemannen die misschien wel hadden gefantaseerd om bij het verzet te gaan,maar het niet hadden aangedurfd.

Na de oorlog kregen ze de kans om aan de buitenwereld én zichzelf te bewijzen dat ze aan de ’goede kant’ stonden. Door het verzet met deze groep jongemannen te vereenzelvigen, wordt het onterecht als dader aangemerkt van de wraakacties. En ook nog op een moment dat er bijna geen verzetsmensen meer zijn om zich te verdedigen. Dit alles doet denken aan ’De donkere kamer van Damocles’ van Willem Frederik Hermans, waarin verzetsman Henri Osewoudt na de oorlog berecht wordt als oorlogsmisdadiger. Osewoudt kan symbool staan voor de jongeman die tijdens de oorlog slechts fantaseerde om bij het verzet te gaan, maar die zich in werkelijkheid ontpopte als een schender van mensenrechten. Maar hij kan ook de echte verzetsman representeren die achteraf onterecht als dader wordt aangemerkt.
Het verwisselen van rollen is een bekend fenomeen in de psycho-traumatologie, ook wel blaming the victim en blaming the helper genoemd. Men wil dan niet geloven dat er mensen zijn die zeer bewust gruwelijke daden plegen, waardoor de gedachte opkomt dat de slachtoffers het er misschien wel naar gemaakt hebben, of dat hulpverleners hen de traumatische verhalen hebben aangepraat. Een oosters spreekwoord zegt: als je één mens redt, red je de hele wereld. Met elke Jood die gered is door verzetsmensen werd een hoogstaande morele standaard gesteld, namelijk: élk mens doet er toe. Die ene behouden mens staat symbool voor een menswaardige samenleving waar een ieder van ons verantwoordelijk voor is.

Door verzetsdaden al te veel te relativeren lopen we het risico dat ook bovenstaande belangrijke menselijke waarde wordt gerelativeerd. Ik ben het dan ook eens met de uitspraak van Lou de Jong, auteur van ’Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, dat een oorlog noopt tot normgevende herinneringen. Het voorbeeld dat mijn lieve, moedige vader mij gaf, is voor mij een belangrijke leidraad in mijn leven gebleken. Hij heeft mij de norm voorgeleefd om – naar eigen vermogen – op te treden tegen onrecht en uitsluiting van mensen. Daarom is het zo belangrijk om het Nederlandse verzet zo nodig te bekritiseren, maar in principiale nooit te relativeren. Opdat wij onze kinderen het voorbeeld blijven geven dat je op kunt staan tegen onrecht.

Carla Rus is psychiater en psychotherapeut/traumatoloog en heeft twee zonen. Zij zijn ongeveer zo oud als haar vader tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Potje paprika

Potje Paprika

Het verhaal dat ik u over Karanine ga vertellen is bizar, kafkaiaans en ongeloofwaardig. Toch is het niet aan mijn fantasie ontsproten. Ik heb haar drie jaar geleden voor het eerst ontmoet. Dat was in de tijd dat zij feitelijk niet bestond. Je kon haar wel zien, spreken en voelen, maar ze kwam in geen bevolkings- of geboorteregister voor, had geen ID, geen huisadres en geen familie. Toch wist ik zeker dat ze bestond. Dat voelde ik met mijn hart. Een hart dat te zien is op een echo en te horen is met een stethoscoop. Hoeveel bewijzen heeft u nodig voordat u ergens in gelooft?

Ze is een tengere, jonge vrouw met een bleek gezicht en donkere kringen onder ogen die doen denken aan een opgejaagd hert. Ogen die plotseling opblinken als ze in een vlaag meent die vreemde wereld om haar heen te begrijpen, of als ze ziet dat ik die wereld net zo absurd vind als zij.

Karanine's vader was een Armeniër en haar moeder een Azeri. Zij woonden als kind in een Russisch weeshuis: een groot, grauw gebouw waar het altijd tochtte. Twee eenzame kinderen zonder familie die elkaar vonden, met elkaar speelden, met elkaar trouwden.
  Ze gingen wonen in Nagorno-Karabach, een bergachtige provincie in de Kaukasus waar in de lente volop witte en paarse seringen bloeien. In een vruchtbaar dal bouwde de man hun eigen huis. Voor de kost repareerde hij kapotgegane machines in de buurt, terwijl zijn vrouw hun eigen stukje grond bewerkte en hun geit molk.
  Op een dag die zo zonnig was dat de bergen rood zagen van de tulpen, werd Karanine geboren, hun liefdeskind, een mensje dat ervoor zorgde dat ze net als alle andere mensen een echte familie kregen.
  Het meisje groeide voorspoedig op, was de beste van de klas en hielp vriendinnetjes met huiswerk. Ze hield van bloemen en chocolade en had de liefste ouders van de hele wereld.

Elke nacht schrikt ze wakker van vluchtende mensen, de snijdende geur van brandende huizen en de angstige stemmen van haar ouders. Daarna durft zij niet meer in te slapen. Ze ligt samen op de kamer met een Arabische vrouw, die middenin de stille nacht opstaat en in een vreemde taal heftig emotioneel in haar GSM 'tje gaat zitten fluisteren. Overdag schiet Karanine schichtig door de straten uit angst te worden aangehouden.

Een frisse zeewind liet het grote Euro-Aziatische land, dat eigenlijk uit allemaal kleine landen bestond die in een hogedrukpan waren samengeperst, uiteenvallen. Daarna barstte er een strijd los tussen Armeniërs en Azeri's om Nagorna-Karabach. Buren die altijd vrienden waren geweest stonden elkaar naar het leven, gezinnen van een gemengd huwelijk werden uit elkaar gereten, uiteindelijk stonden hele dorpen in brand.
  Karanine's gezin vluchtte op slippers van dorp naar dorp op zoek naar veiligheid. Het kwam uiteindelijk terecht in het Armeense Shosh, waar het een verlaten huis zonder ruiten in de ramen betrokken.
  Moeizaam bouwden zij hun leven weer op: een oorlogsleven, want regelmatig schrokken ze op van een schot dat tegen de bergwanden galmde. Ook Karanine's vader was burgersoldaat en liep een schotwond op. Op een warme dag viel hij plotseling dood. Zijn Azeri'se vrouw en hun dochter bleven alleen achter: vogelvrij tussen de Armeniërs.

Kunt u het zware verhaal nog verdragen? Sorry, ik had u graag een lichter verhaal verteld. Dat had makkelijk gekund. Want eigenlijk wilde Karanine gaan studeren en ze had zomaar lerares of dokter kunnen worden. Ze is een mooie vrouw en met behulp van een beetje make-up, smaakvolle kleding en hoge hakken was ze een schoonheid geweest. Lieve ouders, fijne vriendinnen, niets aan de hand.
  Maar oud zeer tussen volkeren zit vaak diep. En verzonken in de hersenen van mensen bevindt zich het miljoenen jaren oude, erwtgrote reptielenbrein dat altijd in de starthouding staat om te vech­ten, te vluchten of te bevriezen bij elk dreigend of vermeend gevaar. De slang die de mensen uit het paradijs heeft verjaagd, heeft zich dan ook nooit buiten maar altijd bínnen de mens bevonden: middenin zijn brein.

Week in week uit werden er stenen tegen hun ramen gegooid en kregen zij bedreigingen naar hun hoofd. Ze kropen bibberend tegen elkaar.
  In de daaropvolgende winter verdween moeder plotseling, weggelokt door dorpsgenoten. Volgens geruchten vermoord en onder de grond gestopt. Karanine durfde niet meer naar huis en lag zes weken zonder te eten in shock op bed bij haar vriendin. Onder haar raam sisten boosaardige stemmen: 'Eerst die Azeri'se hond, nu nog haar dochter!'

De toon is scherp en het stemgeluid weerkaatst hol tegen de wanden van de kale ruimte: "Heeft u de overlijdenspapieren van uw ouders niet bij u?"
  "Ik wist niet dat ik die mee moest nemen en ik ben niet meer in het huis geweest."
  "Leefde u echt van de opbrengsten van een stukje land en een koe?"
  "Dat vroeg u vorige keer ook al. En het is een geit, geen koe. Dat heeft de tolk verkeerd vertaald."
  "Wij geloven niet dat uw moeder is vermoord. "
  "..."
  "Notulist wilt u opschrijven dat het gesprek tien minuten wordt stilgezet omdat cliënt te emotioneel is?"

Op een nacht liet haar vriendin's vader aan Karanine zien waar moeder onder de grond lag. Het leek net een molshoop. Daarna smokkelde hij haar het land uit.
  In een geblindeerde auto werd ze via Georgië en Turkije naar een onbekend land vervoerd. Daar werd ze met een paar plastic tassen aan de kant van de weg afgezet. De wind gierde door de straten en het was er koud. De mensen spraken een rare, scherpe taal. Ze keek omhoog. In de ijle lucht werden als door een mysterieuze hand grootse wolkenpartijen willoos voortgestuwd. Reusachtige witte vogels met grote snelheid op doorreis van water naar water.
  Hoe ze daarna in het grote gebouw was terechtgekomen waar ze vierenhalf jaar ondervraagd zou worden, weet ze niet meer. Ze was er naartoe gewaaid als een door een heftige storm afgerukt blad van een boom.

De toon is zonodig nog scherper: "Wij geloven niet dat u via Georgië en Turkije in Nederland bent gekomen."
  "Hoe ben ik er volgens u dan wel gekomen?"
  "..."
  "Leefde u echt van een stukje land en een geit?"
  "Ja."
  "Wij geloven niet dat u via Georgië en Turkije in Nederland bent gekomen."
  "Maar ik bén hier toch?"
  "Wij geloven niet dat uw moeder is vermoord."
  "De moordenaars hebben geen bewijs meegegeven."
  "Wij geloven uw verhaal niet en u krijgt geen verblijfsvergunning. Ga maar naar de Armeense ambassade voor doorreis-papieren."

De ambassade reageert alsof ze als Armeense niet bestaat. Ze gaat in shock op bed liggen en komt er niet meer af. Men probeert haar aan te zetten tot eten en drinken, maar ze wil zich voegen bij degenen die haar hebben liefgehad. Dat mag niet in Nederland. Ze wordt daarom tegen haar wil opgenomen in een psychiatrische inrichting.

Zorgzame verpleegkundigen die met aandacht hun werk doen zijn net engelen. Wanneer hun vriendelijke gezicht en zachte stem boven je bed verschijnen, kun je zelfs met enige moeite hun vleugels onderscheiden. Toen Karanine's ouders vanuit het hiernamaals zagen dat het niet goed met hun dochter ging, stuurden zij een engel op haar af. Een engel die Karanine bij mij zou brengen.
  Ik ben een psychiater die ziek is en daarom precies geschikt voor hun dochter. Volgens haar ouders heeft Karanine niets aan een gezonde psychiater. Een gezonde psychiater werkt namelijk in een groot instituut met een heleboel regels. Karanine zou in het hokje van één enkele Diagnose-behandelcombinatie met een ingewikkeld nummer zijn gepropt, zou zelf ook een moeilijk te onthouden nummer hebben gekregen en van de behandeling zou moeten worden aangetoond dat zij binnen tien maal 30 minuten effectief is. Wanneer de psychiater meer zou doen dan volgens de regels mag, zou ze tijdens functioneringsgesprekken op het matje worden geroepen en zou ze van haar collega's te horen krijgen dat ze te betrokken was. Aan zo'n psychiater zou Karanine niet veel hebben gehad en ze zou binnen de kortste keren buiten de hokjes zijn gepuild en tussen de protocollen verdwenen.
  Maar ik ben chronisch ziek en hoor net als Karanine nergens meer bij. Door een gezwel in mijn ruggemerg kreeg ik pijn over mijn hele lijf waardoor ik niet meer aan te raken ben. Net als de kasteloze mensen in India die ook wel de onaanraakbaren worden genoemd. Eerst deed het alleen pijn, maar toen mijn ego tot de grond was afgebroken, gaf het ook bevrijding.
  Ik behandel nu alleen nog wat mensen bij mij thuis. Op mijn eigen manier, in alle rust, geheel onorthodox. Vandaar dat Karanine's ouders mij hebben uitverkoren om hun dochter te helpen.

Karanine durft me nauwelijks aan te kijken of iets te zeggen: ze is één van de paria's in onze samenleving. Ik maak voor haar een officieel aandoend geplastificeerd kaartje met mijn naam erop, met het nadrukkelijk verzoek onmiddellijk contact met mij op te nemen. Pure bluf. Net als de nagemaakte armband met de woorden Strassen-erlaubnis van mijn vader, waarmee hij in de oorlog door de donkere straten sloop om joden te helpen.
  Karanine begint me iets meer te vertrouwen.

Van IKV-waarnemers in Nagorno-Karabach hoor ik dat Karanine's vluchtroute via Georgië juist de meest gebruikelijke is. Verder levert de speurtocht op dat moeder doorgestreept is in het bevolkingsregister. Niet verhuisd, niet gestorven, simpelweg doorgestreept. Zeer verdacht. In mijn naïviteit denk ik dat we nieuwe bewijzen in handen hebben om opnieuw een verblijfsvergunning aan te vragen.
Maar de advocaat schudt zijn hoofd. Het zijn namelijk geen nieuwe feiten, want ze bestonden al tijdens het eerste verhoor.

  "Maar het zijn nieuwe bewijzen," protesteer ik.
  "Dat doet er niet toe, het zijn oude feiten."
  Probeert u dit niet te begrijpen, want het is niet te begrijpen. Veel spelregels zijn niet op logica gebaseerd. Die duiken als onkruid op om een enkelvoudig probleem op te lossen zonder dat er op de hele akker wordt gelet. Zulke regels lijken soms onmenselijk, maar aan kinderspelletjes zien we dat ze juist voortkomen uit het meest menselijke in ons.

Een groepje kinderen is op straat aan het knikkeren.
  "Zullen we een potje naturel doen zonder vals spelen?" vraagt er een. Dat laatste moet er ritueel bij worden gezegd, want veel kinderen zijn blijkbaar niet te vertrouwen.
  "Nee, laten we een potje paprika doen," roept een ander. Een potje paprika heeft meer regels die ieder voor zich rechtvaardig lijken, maar onderling kunnen botsen. Middenin het spel roept een kind dat hoog in de picking order staat plotseling: rood-wit-blauw! Het doet drie stappen in de richting van het potje, werpt zijn knikker erin, en haalt daarmee het bestaande spel volledig onderuit.

Ik schrijf een rapportage over haar trauma's waarmee de advocaat een verblijfsvergunning op medische gronden aanvraagt. Hij geeft haar vijf procent kans. Is dat niet ongeveer net zoveel als ik had voor de operatie? Nu, we zullen ze eens een poepie laten ruiken!
  Het grote wachten begint. Een week, een maand, een jaar, anderhalf jaar...
Patiënt betekent letterlijk geduld, maar ook bij een patiënt raakt dat vroeg of laat op. Ik ga bellen. Maar waar naartoe. Hoe groot is het IND eigenlijk. Waar staat het hoofdgebouw. Hoeveel bijgebouwen zijn er. Ik ga toch maar bellen.

"Ik heb gisteren ook al tien keer gebeld. En vandaag ben ik al zeven keer doorverbonden. Kunt u echt niet nagaan of mijn aanvraag in behandeling is genomen?"
  Eindelijk heb ik een secretaresse te pakken die onderweg haar menselijkheid niet is verloren: "Ik zie in mijn computer dat uw patiënt in de computer zit op afdeling 175."
  "Kan ik dan met afdeling 175 worden verbonden?"
  "Dat zal moeilijk gaan, want afdeling 175 is voorlopig onbemand."
  "Kunt ú niet even in de computer van afdeling 175 kijken?"
  "Nee, want dan is mijn eigen afdeling onbemand."
  "Wat raadt u mij dan aan?"
  "U zou een fax naar die afdeling kunnen sturen."
  "Maar is er dan iemand die die fax leest?"
  "Ik zou het niet weten. Maar het is toch te proberen?"

Ik stuur twee faxen rechtstreeks het zwarte gat in.
  Na twee maanden is er nog geen enkele reactie. Wanneer Karanine dit verneemt kijkt ze mij met uitgedoofde ogen aan. Ze zegt: "Daar besta ik niet en hier willen ze me niet." Ik voel een enorme woede in mij opkomen: een rode vuurbal die in mijn binnenste dreigt te exploderen. Waar is míjn Nederland gebleven? Een Nederland waar ik trots op was, waar ik op school ben geweest, waar ik in het speelkwartier slootje heb gesprongen, waar de wieken van molens rechtvaardigheid zongen?
Ik splits de vuurbal op in kleine vonken en verstop deze in uiterst formele woorden waarmee ik een klacht indien.
  Na twee weken klinkt er plotseling een echo op uit het zwarte gat. Ze bieden zelfs excuus aan dat er nog niets met mijn aanvraag is gedaan. Ze zullen er nu werk van maken. Met moeite worden de zware raderen weer in werking gezet.
  Opnieuw wachten we op de dingen die gaan komen. Ondertussen maak ik me ongerust over Karanine. Ze wordt mager. Blijft vaak op bed liggen. Neemt soms de telefoon niet op. Ik praat op haar in. Geef haar extra pillen.

Dan komt er bericht. Karanine moet worden beoordeeld door een onafhankelijk psychiater. Mijn verhaal moet worden gecontroleerd. Dat begrijp ik wel, je kunt mij niet zomaar vertrouwen. Uitgebreide verantwoording en dubbelchecken zijn daarom strikt noodzakelijk.
Ik ken de mensen die dat verschrikkelijke woud aan regels verzinnen. Het zijn dezelfden als de kinderen die vroeger onverwachts rood-wit-blauw en zonder vals spelen schreeuwden. Want: wat je zegt ben jezelf.

Karanine ziet er erg tegen op om haar verhaal opnieuw te vertellen tegen een vreemde. Ik maak me zorgen over hoe onafhankelijk onafhankelijk is. Na drie maanden wachten komt het gesprek. Met een oudere man die secuur luistert. Ik begin weer trots op mijn vak te worden. Hij is het met mij eens: terugsturen overleeft ze niet.

Na twee maanden komen de verlossende woorden: 'U krijgt een verblijfsvergunning.'
  De tranen lopen over onze wangen van blijdschap. Tot we de kleine letters lezen. De vergunning is maar drie jaar geldig en gaat met terugwerkende kracht in vanaf het moment van mijn aanvraag. Dat is tweeënhalf jaar geleden. De knikkeraars hebben dus een juridisch probleem opgelost, geen menselijk probleem.
  In zes maanden tijd moet ze haar trauma 's verwerken, zichzelf voorbereiden op de terugkomst in een land waar ze niet bestaat en waar haar wonden weer zullen worden opengereten, is ze ondertussen verplicht te verhuizen van de Noodopvang waar ze schoorvoetend wat vrienden heeft opgedaan naar een AZC aan de andere kant van het land waar ze niemand kent, moet ze vandaaruit eigen woonruimte zoeken, een inburgeringscursus doen en steeds weer opnieuw een verschrikkelijke stapel dikke formulieren invullen met veel dubbele vragen die ze meestal moet beantwoorden met: niet van toepassing.

De advocaat weet raad. Over een paar maanden vragen we toch gewoon weer een nieuwe verblijfsvergunning aan? Ach ja, waarom ook niet, ik begin er verstand van te krijgen. Begin ook links en rechts instanties om de oren te slaan met rood-wit-blauw en zonder vals spelen.
  Karanine dreigt weg te zinken in het moeras van tegenstrijdigheden, maar ik blijf door de drap baggeren als Sisyphus in de onderwereld. Dat heb ik geleerd van mijn ziekte: gewoon doorgaan; met of zonder hoop. We vinden woonruimte op de zesde verdieping van een flat, een halfuur met de bus bij mij vandaan. Ze is bang, heeft nog nooit alleen gewoond.

Ik zet een advertentie voor huisraad in het wijkblaadje van de witte kakwijk waar ik woon. Daar wonen mensen die wanneer ze in de spiegel kijken net als ik het gevoel willen krijgen dat ze tóch een goed mens zijn. Dus binnen een uur na het verschijnen van het blaadje krijg ik al zeven televisies aangeboden. De weken daarna stromen de spullen binnen en kunnen we nauwelijks ons huis nog in.
Op een vrijdag is de grote dag. Mijn zonen en hun vrienden huren een boedelkar en brengen de spullen naar Karanine. Die weet niet hoe ze moet kijken en krijgt blosjes op haar bleke wangen.

De feeststemming duurt slechts kort. Plotseling duikt er vanachter een boom in het woud met regels de kop van een nieuwe boze wolf die naar de naam VROM luistert. Hij huilt meedogenloos: 'Rood-wit-blauw! De COA vertelde u dat u huursubsidie krijgt, maar wíj zeggen van niet. U moet onmiddellijk de reeds ontvangen huursubsidie terugstorten.'
  Maar Karanine heeft nog helemaal geen huursubsidie ontvangen en omdat ze geen recht heeft om te werken heeft ze nu te weinig geld om van te leven.
  Cut, cut, cut. Ze wordt net als iedereen en alles in functies en stukjes gesneden alsof het groente of fruit betreft. Maar niemand proeft of het eindproduct nog wel te eten is.

Ik klim in een hoge boom voor het Catshuis en roep zo hard dat de vonken ervan afspringen: "Weten jullie dan niet dat er grote golven met grijze koppen aankomen die ons volledig zullen overspoelen? We hebben de Karanine's hard nodig!"
  Ik kijk omhoog in de donkere lucht en zie mijn overleden moeder aankomen zweven in een mooi licht gewaad.
  "Dag mam, luister eens. Een oud joods gezegde luidt: Als je één mens redt, redt je de hele wereld. Maar door al dat geknikker lukt het me niet."
  "Ach lieve kind, een Zuid-Afrikaans spreekwoord zegt: Moe nie worrie nie, alles sal reg kom."
  Ze zweeft weg in de hoge lucht.
  Ik besluit Karanine een bos rode tulpen te schenken.

Emancipatie van Marokkaanse moeder beschermt tegen djihad

Emancipatie van Marokkaanse moeder beschermt tegen djihad

Jongens krijgen in moslimgezinnen geen respect bijgebracht voor de moeder; zij kan zich buiten niet redden en wordt thuis onderdrukt. Dat maakt de jongens gevoelig voor de djihad.

Carla Rus

In: Trouw, 6 november 2004.

Wanneer moslimjongens, zeker als zij goed geschoold zijn, gefrustreerd worden in de hoge verwachtingen van hun maatschappelijke kansen, raakt hun fragiel in de maatschappij gewortelde identiteit diep gekwetst.
Anders dan meisjes, die de neiging hebben om bij een identiteitscrisis de agressie op zichzelf te richten, richten jongens de agressie op de buitenwereld. Allochtone meisjes doen eerder een zelfmoordpoging (vijf keer vaker dan autochtone) en jongens vertonen eerder macho- en crimineel gedrag. Zij zoeken in hun gekwetstheid steun bij een bende van soortgenoten, met wie zij wanhopig op zoek gaan naar een identiteitsbeginsel waar ze zich aan vast kunnen klampen. Naar iets gemeenschappelijks, iets waardoor ze uit kunnen stijgen boven hun gekwetste trots en zich verheven kunnen voelen boven de maatschappij die hen dit aandoet. Daarna kan volgens Sadik Harchaoui, bestuurslid van Forum, een proces van zelfisolering op gang komen, dat ze kwetsbaarder maakt voor rekrutering voor de djihad.
Maar de isolering was al veel langer gaande. Die begon toen zij kleine jongens waren. Ze werden opgevoed door machteloze ouders die onze maatschappij onvoldoende kenden en hen dus slecht hierop konden voorbereiden. Dit geldt in het bijzonder voor de moeder. Zij krijgt in veel islamitische gezinnen slechts een rol als huisvrouw toebedeeld en verwerft pas macht wanneer zij op oudere leeftijd boven haar schoondochters komt te staan.
Het gebrek aan respect voor de vrouw wordt de jongen met de paplepel ingegeven. Want wat betekent het voor zijn vrouwbeeld, dat hij als 8-jarige zijn volwassen moeder moet chaperonneren, wanneer ze naar de dokter gaat? En wat als zijn vader zijn moeder mag slaan, als zij het eten aan laat branden of ruzie met hem maakt? Uit een Turks onderzoek blijkt dat 39 procent van de islamitische vrouwen het onder bepaalde omstandigheden goedkeurt dat hun man hen slaat. Welke invloed dit heeft op de identiteit van de jongen in relatie tot zijn zussen, de meisjes in zijn klas, de vrouwelijke verpleegkundige, arts, de lerares, laat zich niet moeilijk raden.
Wanneer een jongen geen respect heeft voor zijn vrouwelijke mentor, en de vader van die jongen niet eens met haar wil spreken, verkleint die vader daarmee op termijn de maatschappelijke kansen van zijn zoon. Want in sollicitatiecommissies zitten tegenwoordig vaak invloedrijke vrouwen. Zij voelen ragfijn aan dat zij van de sollicitant minder respect krijgen dan hun mannelijke collega's. En die mannen kiezen bijna nooit partij voor de sollicitant: zij zijn solidair met hun vrouwelijke collega.

Het minderwaardige vrouwbeeld is niet de enige reden voor zijn kleinere kansen op de arbeidsmarkt. Sociaal-economische achtergrond en discriminatie spelen hierbij waarschijnlijk een grotere rol. Maar gering is de factor zeker niet. En voor de omstandigheden waarin een jongeman gevoelig wordt voor rekrutering voor de djihad, speelt zij zelfs een cruciale rol. Een kind ontwikkelt zelfrespect in een subtiele interactie tussen ouder en kind. Daarbinnen geldt wederzijds respect. Pas onder die condities krijgt het kind de ruimte om zelfreflectie en zelfkritiek te ontwikkelen. Met een moeder die onvoldoende wordt gerespecteerd, loopt haar zoon het risico op een gemankeerd zelfrespect en een onderontwikkeld vermogen tot zelfreflectie. Dit maakt hem kwetsbaar voor narcistische krenkingen en gevoelig voor radicale bewegingen die deze krenkingen schijnbaar kunnen opheffen.
Soms is de enige kans voor een arme negerjongen uit een Amerikaans getto om niet op het criminele pad te komen, zijn stevige, geëmancipeerde moeder. Scheldend en tierend en vol liefde weet ze hem voor de poorten van de bende weg te slepen. Zij kan die macht echter slechts uitoefenen door het respect dat hij voor haar heeft. Dat respect zou zij nooit gekregen hebben wanneer zij zomaar door mannen geslagen mag worden.

Hiermee zijn we precies beland bij de motivatie waarom Hirsi Ali Theo van Gogh heeft gevraagd de film 'Submission' voor haar te regisseren. Deze film is een aanklacht tegen vrouwenonderdrukking en mishandeling, tegen de tientallen gevallen van eerwraak de afgelopen jaren, een aanklacht tegen de grote aantallen zelfmoorden van jonge vrouwen die de spagaat tussen de eisen die het traditionele gezin aan hen stelt en de eisen van de moderne maatschappij, niet kunnen verdragen. Nu is aan de lange rij van vermoorde vrouwen, een man toegevoegd. Laat deze moord niet voor niks zijn geweest. Laten autochtonen samen met de gematigde islamitische medelanders de handen ineenslaan en een gemeenschappelijke vuist maken om vrouwenonderdrukking in Nederland te stoppen.

Verdonk’s dossiers rammelen

Verdonk's dossiers rammelen

Kijkje in de keuken van het IND

In: Artsen voor vrede nr. 2, NVMP, 2004.

Minister Verdonk van vreemdelingenzaken heeft haar uitzetbeleid van uitgeprocedeerde asielzoekers vrij gemakkelijk door de kamer kunnen loodsen. Zij moest alleen beloven een open oog te houden voor 'schrijnende gevallen'. Maar wat verstaat mevrouw Verdonk onder schrijnende gevallen? Is dat natte vingerwerk of ze heeft hier een nauwkeurige definitie voor? In ieder geval zegt ze voor haar vaststelling een beroep te doen op de 'degelijke' achtergrondinformatie van het IND.
Als psychiater die ten behoeve van Amnesty International een medische rapportage heeft geschreven over een bij het IND uitgeprocedeerde asielzoeker, heb ik in de keuken mogen kijken van het IND en bij het lezen van hun verhoren rezen mij de haren te berge.

Verdonks rapporten rammelen

Verdonk's dossiers rammelen

Mijn onderzoek dat uit twee gesprekken van anderhalf uur heeft bestaan in twee weken tijd, heb ik uitgevoerd voordat ik het dossier van het IND onder ogen kreeg.
Het betreft hier een jonge, ernstig getraumatiseerde vrouw, kind uit een gemengd huwelijk tussen een Armeense vader en een Azerbeidzjaanse moeder, die tot haar vlucht in '98 naar Nederland woonachtig was in de Nagorno Karabakh (NK), een Armeense enclave in Azerbeidzjan. Bij de opheffing van de USSR in 1991, laaide er een heftig conflict met vele dodelijke slachtoffers op tussen de in NK woonachtige Armeniërs en Azeri's over het recht op dit gebied. Mijn patiënt heeft in 1992 samen met haar ouders door die onlusten haar huis verloren (in brand gestoken, waarbij ook alle papieren zijn verbrand), waarna ze gevlucht zijn naar een ander dorp in NK, waar bijna uitsluitend Armeniërs wonen. In dat dorp is haar vader in 1996 overleden, waarna de Azeri moeder met haar dochter achtergebleven. Er was verder geen familie, want zowel vader als moeder waren wees, en mijn patiënt was enigst kind.

Niet ‘slechts’ casuïstiek
Door Akke Botzen

Met nadruk dient gezegd dat de aangrijpende geschiedenis van de vrouw uit Azerbeidzjan over wie Carla Rus rapporteert, niet gezien moet worden als ‘slechts’ casuïstiek. In de jaren ’90 maakte ook ik rapporten op voor de Medische Onderzoeksgroep (MOG) van Amnesty: interviews van vaak uren (soms met de noodzaak de cliënt nog eens terug te laten komen omdat de emoties te groot waren), lichamelijk en psychiatrisch onderzoek. Het nader gehoor door de ambtenaar, dat werd bijgestuurd, was nogal eens lacunair, soms op punten onjuist. Afwijzing geschiedde in eerste instantie reflectoir en volautomatisch met een standaardformulering, ook al was dit, gezien het vluchtverhaal, totaal oninvoelbaar. Er werd uiteraard door de cliënt (advocaat) ook reflectoir en volautomatisch beroep aangetekend. Door onze rapporten konden we een aantal cliënten in Nederland houden. Ik neem niet aan dat de situatie onder minister Verdonk is verbeterd.

Direct na het overlijden van haar vader begonnen de bedreigingen van de Armeense dorpsgenoten, ondanks het feit dat in 1994 officieel een staakt het vuren was afgekondigd. Zij werden echter beschermd door een Armeense buurman en zijn gezin, vriend van de overleden vader. Op een dag is deze vriend onder valse voorwendselen weggelokt, en is haar moeder door haar eigen dorpsgenoten of op instigatie van hen in het bos vermoord. Mijn patiënt durfde niet meer terug naar haar eigen huis, omdat ook zij ernstig werd bedreigd. Ze is een week of zes in shock ondergedoken geweest bij de bevriende buren, en in die tijd heeft de buurman, met gevaar voor eigen leven, haar vlucht naar Nederland via Georgië en Turkije geregeld. Hij is ook degene die alle papierzaken voor haar heeft afgehandeld. Achteraf blijkt dat niet zo handig geweest te zijn, maar m'n patiënt was overbeschermd opgevoed en niet zo zelfstandig. Daarbij kwam, dat ze nog steeds in shock was en tot weinig instaat. Vlak voor haar nachtelijke vertrek, heeft hij nog de plek laten zien waar haar moeder door de moordenaars onder de grond is gestopt.
Vanuit die hel in NK weggevlucht, kwam ze, nu weer ruim vijf jaar geleden, in een voor haar onbekend Nederland en vroeg asiel aan. Haar procedure duurde vierenhalf jaar.
Nadat ik een duidelijk beeld van haar verhaal en haar persoonlijkheid had gekregen, ben ik het IND dossier ingedoken.

Minister VerdonkHet verhaal dat ik daar te lezen kreeg over haar, wás helemaal geen verhaal. Het was een magere, incoherente verzameling van soms belangrijke en soms onbenullige feiten, die bij elk verhoor opnieuw gecheckt werden. Zo werd er in verschillende verhoren gevraagd wat voor soort dieren het gezin had gehouden om in hun onderhoud te voorzien en werd er telkens teruggekomen op het feit dat ze nauwelijks een woord had gewisseld met de Russische vrouw die samen met haar de reis naar Nederland maakte. Wezenlijke informatie die ik in de twee gesprekken met haar en via Vluchtelingenwerk over haar had gekregen, ontbrak, zoals de achternaam van de buurman die haar heeft geholpen. Ook bleek uit hun manier van vragen, dat zij van veel feiten niet op de hoogte waren, zoals het gegeven dat wanneer een Azeri vrouw met een Armeniër trouwt, zij niet automatisch de Armeense nationaliteit kan krijgen. De attitude van de onderzoekers was zodanig dat ze er primair van uit leken te gaan dat mevrouw loog, en zij het tegendeel maar moest bewijzen. Het werd mij al snel duidelijk, dat de rechtspositie van de asielzoeker hier minder is dan van de eerste de beste Nederlandse crimineel. Immers, wanneer die aangeklaagd wordt, moet de officier van justitie met bewijzen komen, wil de rechter tot rechtsvervolging over kunnen gaan. Maar een vluchteling die hier asiel aanvraagt, kan van de ergste leugens beticht worden, zonder dat de IND-medewerkers met bewijzen hoeven te komen. De bewijslast van het tegendeel ligt volledig bij de vluchteling. Maar hoe kan die bijvoorbeeld weten, dat ze op haar vlucht de overlijdensakte's van haar ouders mee had moeten nemen? En hoe kan zij op afstand bewijzen, dat haar moeder werkelijk is vermoord? Ook haar vluchtroute via Georgië en Turkije kon ze niet bewijzen.
Hun conclusie is, dat ze haar verhaal niet voor waar aannemen. Het IND staat op het standpunt, dat sinds het vredesbestand in 1994 er geen Azeri's meer zijn vermoord, dus dat het verhaal over haar moeder op onwaarheid berust. Ook gaan ze ervan uit, dat de door haar beschreven vluchtroute onmogelijk is, omdat de grens tussen Armenië en Turkije dicht zit.
Ondertussen heb ik van een waarnemer van het IKV daar ter plekke begrepen, dat ondanks het feit dat de grenzen tussen Armenië en Turkije officieel dicht zijn, het voor Armeniërs mogelijk is om via Georgië te reizen en dat dat ook regelmatig gebeurt. Waarom heeft het IND deze kennis niet? En waarom heeft het IND geen kennis van de ook na 1994 nog steeds oplaaiende conflicten tussen Azeri's en Armeniërs in NK? Het is nog maar een paar maanden geleden dat ons eigen Nederlandse journaal gewag maakte van een spoedbezoek van dhr. De Hoop Scheffer, op dat moment nog voorzitter van het OVSE, toen er weer heftige conflicten oplaaiden tussen de twee bevolkingsgroepen aldaar.
Veel mensen met een vergelijkbare achtergrond als mijn patiënt, zijn afgewezen op basis van het mogelijke vestigingsalternatief in Armenië. De UNHCR raadt echter ten strengste af om asielaanvragen van gemengd gehuwden (Armeens-Azeri) of mensen van gemengde afkomst uit Azerbeidzjan af te wijzen op basis van dit vestigingsalternatief. Hoe kan het dat de IND dit niet weet? In 1999 beweert het ministerie van buitenlandse zaken in een ambtsbericht dat een Azeri vrouw, gehuwd met een Armeense man, automatisch de Armeense nationaliteit kan krijgen, en noemt de UNHCR als bron. In een notitie schrijft de UNHCR echter, dat het ministerie dit door een 'misverstand' verkeerd heeft begrepen.
Onlangs (november 2003) heeft de afdeling bestuursrecht van de Raad van State in hoger beroep van drie afgewezen asielzoekers de minister voor vreemdelingenzaken in het ongelijk gesteld, wat betreft het afwijzen van Azeri's met een Armeense achtergrond. Hun conclusie is, dat gezien de politieke situatie, zij in Armenië niet welkom zijn en er voor hen geen 'laissez-passer' mogelijk is. Deze informatie heeft de Raad van State verkregen via de ambassade van Azerbeidzjan in Berlijn. Waarom is het IND hier niet van op de hoogte? Of hebben ze het misschien door een 'misverstand' niet helemaal begrepen?
In het laatste bulletin van 'Human right watchers' staat, dat op dit moment de schending van mensenrechten in NK ernstiger is dan ooit eerder in de afgelopen tien jaar. Zou het IND wel aan nascholing doen?

Raymond moet wegVolgens mevrouw Verdonk is mijn patiënt niet schrijnend genoeg. Maar ik zie bij m'n onderzoek een vaalwitte, magere vrouw met een schichtige blik, die nu alweer vijf jaar lang ondanks de antidepressiva en slaapmiddelen maar een paar uur per nacht slaapt, die geteisterd wordt door nachtmerries en overdag geplaagd wordt door flashbacks waarin zij gillende stemmen hoort van mensen waaronder haar overleden ouders, die de helft van haar leven als een opgejaagd dier van de ene plaats naar de andere heeft moeten vluchten of gedwongen is verkast, die geen enkele familie heeft en die haar ouders verschrikkelijk mist. Ik ben ervan overtuigd, dat als er ook maar de geringste kans zou zijn dat haar moeder nog leeft, zij linia recta terug zou gaan naar haar geboorteland, zodat het hele probleem zou zijn opgelost. Maar zij weet heel zeker dat dat niet het geval is. Door haar hierin niet te geloven, is haar leed alleen nog maar versterkt.
Mijn patiënt is onterecht afgewezen, omdat het IND kennelijk niet goed op de hoogte is van de werkelijke situatie in NK en zij zich in die vierenhalf jaar niet echt in dit mens hebben verdiept. Mevrouw Verdonk baseert zich, althans in dit geval, op een rammelend, zeer inclompleet dossier.

Carla Rus

 

Oorlogswees

Oorlogswees

Verhaal opgenomen in het boek ‘Een royaal gebaar’. 2005.

Elke nacht schrikt Ani wakker van het gegil van vluchtende mensen, van de snijdende geur van brandende huizen, van de angstige gezichten van haar ouders. Ze is een jonge, broodmagere vrouw met een vaal-grauw gezicht en donkere kringen onder haar ogen. Zes jaar geleden vluchtte zij uit Nagorno-Karabach, een Armeense enclave in Azerbeidzjan. Ze is enig kind van twee wezen: een Armeense vader en een Azerischse moeder.

Wanneer in 1988 de Sovjet-Unie wordt ontbonden, laait er een heftig conflict op tussen Armeniërs en Azeri's, die beiden recht menen te hebben op Nagorno-Karabach. Het gezin van Ani vlucht van dorp naar dorp, tot het in het dorp Shosh enigszins tot rust komt. Dan overlijdt haar vader aan een geïnfecteerde kogelwond, waardoor Ani en haar moeder tussen de Armeniërs vogelvrij worden. Regelmatig worden hun ruiten ingegooid. Op een dag wordt moeder door haar eigen dorpsgenoten vermoord. Ani duikt onder bij een oude vriend van haar vader. Ze ligt daar zes weken in shock op bed, terwijl onder haar raam haar dorpsgenoten schreeuwen: 'Eerst die Azeri's hond, nu nog haar dochter!'
Zonder ook maar één foto van haar ouders en zonder overlijdensaktes wordt zij op een nacht door die vriend met een vrachtauto via Georgië tot aan de grens van Turkije gebracht. Vandaar wordt zij met een geblindeerde auto naar het onbekende Nederland vervoerd, waar ze asiel aanvraagt.
Na een IND-procedure van vierenhalf jaar, krijgt ze te horen dat ze niet wordt geloofd. Ze geloven niet dat ze via Georgië en Turkije is gevlucht en ook niet dat haar moeder is vermoord. Dit geeft een dreun. Ze moet terugkeren naar het land waar ze alles is verloren en ernstig is bedreigd. En dit ondanks dat de UNHCR het IND dringend adviseert om kinderen uit een gemengd huwelijk vanwege voortdurende onlusten niet terug te sturen. Verdoofd vraagt ze via de ambassade van Armenië papieren aan. Hier hoort ze nooit iets op terug. Ze zegt hiervan: 'Hier willen ze me niet, en daar besta ik niet eens.' Ze gaat op bed liggen, eet en drinkt niet meer, en hoopt zich snel bij haar ouders te mogen voegen. Ze wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar ze op een haar na haar leven redden.
Hierna wordt ze opgevangen door de noodopvang en schrijf ik namens Amnesty International een medische rapportage over Ani. Via waarnemers van het IKV in haar geboorteland komen we er achter, dat vanuit Nagorno-Karabach haar vluchtroute juist de meest gebruíkelijke is. Tevens wordt in het bevolkingsregister nagegaan waar haar moeder is gebleven: ze is niet verhuisd, er is geen overlijdensakte, ze is eenvoudigweg doorgestreept. Deze informatie kunnen we echter niet gebruiken in een nieuwe procedure, omdat deze feiten al tijdens de eerste procedure bestonden, ook al werden ze toen niet geloofd.
Van nu af aan is Ani illegaal en schichtig schiet ze door de straten. Ondanks de € 40,00 per week om van te leven, neemt ze geen risico met zwartrijden. Ik maak voor het geval ze wordt opgepakt een officieel aandoend geplastificeerd kaartje met mijn naam erop, met het nadrukkelijk verzoek contact met mij op te nemen. Ik voel me plotseling verwant met mijn vader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdens Spertijd met een nagemaakte armband met de woorden 'Strassen-erlaubnis' door de donkere straten schoof om zijn verzetsdaden te verrichten.
Ik vraag een procedure op medische gronden aan.
Na een jaar wachten, kom ik erachter dat afdeling 175, waar Ani’s aanvraag in de computer zit, al tijden onbemand is. Ik dien een klacht in. Dat is nu acht maanden geleden. Ani wacht nog steeds. Opnieuw tussen volstrekt vreemde mensen, omdat ze onlangs moest verkassen van noodopvang. De blik in haar ogen houdt het midden tussen opgejaagd en verloren.

Italiaanse Panorama

Italiaans Panorama

Interview door Franca Roiatta, in verband met vrouwen voor de djihad kiezen. Isis: nella mente delle terroriste. Februari 2015.

Sempre più donne promuovo il radicalismo islamico sui social media. Molte lasciano l’Europa per la Siria. Cosa le spinge a diventare vestali della jihad?
2 febbraio 2015

Schermafbeelding 2015-07-22 om 13.32.04

L'aspirante kamikaze Sajida al-Rishawi in tv dopo l'arresto nel 2005
Credits: Marco Di Lauro/Getty Images

Schermafbeelding 2015-07-22 om 13.32.13

 

Franca Roiatti

Per rilasciare il giornalista giapponese Kenji Goto, e il pilota giordano Moaz al-Kassasbeh  sabato 24 gennaio, l’Isis ha chiesto la liberazione di Sajda al Rishawi, aspirante terrorista suicida e vedova di un kamikaze. Il marito si fece esplodere nell’attentato al Radisson hotel di Amman in Giordania, nel 2005, nel quale persero la vita 38 invitati a una cerimonia nuziale. Le cinture di Sajda non funzionarono, venne arrestata e condannata a morte. “C’erano donne e bambini” avrebbe detto nella confessione, chissà se con un tardivo rimorso.

Il 6 gennaio scorso in un commissariato di Istanbul, la cintura, invece, ha funzionato, e la kamikaze entrata per denunciare un furto ha ucciso un poliziotto, ferendone un altro.

La presenza femminile nelle fila dei gruppi terroristici non è un fenomeno nuovo, come ricorda Mia Bloom, docente all’Università del Massachusetts Lowell nel libro Bombshell: The Many Faces of Women Terrorist (Esplosive: le molte facce delle donne terroriste). C’erano donne nei gruppi armati europei degli anni Settanta, e in quelli palestinesi, nelle Farc colombiane, nell’Ira nord irlandese e nella guerriglia Tamil dello Sri Lanka: una di loro si fece saltare in aria uccidendo Rajiv Ghandi nel 1991. Le “vedove nere” cecene erano nelcommando che assaltò il teatro Dubrovka a Mosca nel 2002.

Malika El Aroud, presunta terrorista da tempo finita nella lista nera del terrorismo insieme al marito, durante l'udienza del processo in Belgio in una foto senza data.

Ciò che colpisce oggi sono i numeri, la facilità con la quale tante ragazze cresciute in Occidente sono attratte dalla jihad. Secondo l’International institute for strategic studies (Iiss) di Londra,sarebbero 5 mila le donne coinvolte nel conflitto siriano con varie mansioni. Più di un centinaio (ma è difficile stabilire la cifra precisa) sarebbero quelle giunte dall’estero. Tra loro, Maria Giulia Sergio, 27 anni, diventata Fatima Az Zahara dopo la conversione, partita dalla Maremma grazie una filiera di reclutatori albanesi. Ma anche Hayat Boumedienne, compagna di Amady Coulibaly, l’attentatore del supermercato kosher di Parigi, scappata dalla Francia il giorno dopo la carneficina al settimanale Charlie Hebdo. E Samra e Sabina, 17 e 15 anni, che ad aprile 2014 hanno lasciato Vienna per andare in Siriaa sposarsi (una di loro nel frattempo sarebbe morta).

Cosa spinge ragazze come Samra e Sabina a rinunciare ai jeans e a un buon numero di libertà personali, per indossare il niqab e diventare mogli di terroristi o vestali della jihad? “Molto dipende dalle storie personali, da ciò che accade in quel preciso momentonella loro vita” spiega Elizabeth Pearson, che sta completando un dottorato al King’s college di Londra sulla radicalizzazione femminile. “Ma probabilmente il senso di avventura, l’idea di una nuova vita da condurre secondo canoni impossibili da seguirein Europa, giocano un ruolo in questa scelta, per noi difficile da comprendere. Per loro si tratta di un diverso tipo di libertà “.

Carla Rus, psichiatra olandese, ha lavorato a lungo con ragazzi e ragazze musulmani e ha tracciato un profilo delle giovani più propense a farsi ammaliare dai “pifferai magici” dell’estremismo. “Ci sono quelle spinte da motivazioni interiori e quelle che seguono ragioni romantiche” riassume Rus. “Tra le prime abbiamo giovani che in famiglia imparano di valere meno dei fratelli maschi, ma non sono disposte ad accettarlo. Vogliono affermare la propria identità. La strada offerta loro dai valori della civiltà occidentale, tuttavia, non le soddisfa. Per questo cercano online le risposte e finiscono per entrare in gruppi radicali, dove possono ottenere maggior prestigio”. Altre non hanno una personalità così spiccata. Dagli imam su internet e dai gruppi estremisti cercano rassicurazioni per riuscire a “conciliare la necessità di essere buone musulmane con lo stile di vita che la società in cui vivono propone loro” precisa Rus. Quelle che si innamorano di un jihadista o aspirante tale finiscono per subire “un vero e proprio lavaggio del cervello. Il gruppo di cui entrano a far parte le isola, smettono di frequentare gli amici di sempre. Se non ne escono in fretta il rischio di perderle è alto” conclude Rus.

“Le donne come gli uomini diventano terroriste per vendetta, alcune per cercare una sorta di redenzione, sicuramente per convinzione ideologica e fame d’azione” conclude Lori Poloni-Staudinger, docente alla Northern Arizona University, autrice di numerosi studi sul terrorismo femminile. “Considerarle solo come eccezioni o vittime non aiuta a comprenderne le ragioni”.

Concorda Fanny Bugnon, ricercatrice a Bordeaux e autrice di un libro in uscita in Francia sul terrorismo femminile, Les "amazones de la terreure" (Le" amazzoni del terrore"). “È difficile accettare che le donne,in grado di donare la vita, siano coinvolte in un’impresa di morte. Troppo spesso, tuttavia, l’Occidente presenta le terroriste come succubi di un uomo, o affette da qualche patologia. Non si pensa che possano perseguire un disegno politico, anche all’opposto della nostra democrazia”.

La difficoltà ad accettare che una donna possa persino farsi esplodere ha provocato numerosi morti tra le truppe americane in Iraq. La prima si fece saltare in aria nel 2005, poco dopo fu imitata da un’europeaconvertita, decisa a morire da martire in Iraq. “Il mondo intero fu colto di sorpresa, ed è a questo che probabilmente miravano i gruppi terroristici: non solo fare vittime, ma creare shock e accrescere la paura” ricorda Poloni-Staudinger.

La mente dietro il ricorso alle donne kamikaze era Abu Musab Al Zarkawi, capo di al Qaeda in Iraq, progenitore dell’Isis. “Erano armi efficaci, poco costose e permettevano anche di chiamare gli uomini all’azione: “vedete, lo fanno pure le donne”” afferma Pearson. “Questa però rimane un’eccezione, difficile dire se si ripeterà. C’è un intenso dibattito in seno alle organizzazioni terroristiche islamiche per stabilire fino a che punto le donne possano essere impiegate nella jihad”.

Sui social media, rilevano varie analisi, sono molto più attive, e spesso anche più radicali, degli uomini. Ne aveva già dato prova Malika El Aroud, belga di origini marocchine, moglie dell’uomo che nel 2001 uccise Ahamd Shan Massoud (il leone del Panshir) in carcere dal 2010 per terrorismo. Fu la prima campionessa della propaganda online. “Scrivere, parlare. Questa è la mia jihad” disse in un’intervista. “Scrivere può essere una bomba”. Ma per alcune le bombedevono essere vere.

© Riproduzione Riservata

Wat waren wij soms vreselijk onbarmhartig

Wat waren wij toch onbarmhartig

Column naar aanleiding van het essay van Andrea Bosman, redacteur Letter & Geest. Mei 2010.

In: Trouw mei 2010

Met grote belangstelling heb ik het artikel gelezen van Andrea Bosman: 'Duitse verhalen waar niemand naar vroeg'. Haar verhaal is niet slechts een persoonlijke expeditie om de flarden jeugdherinneringen uit de oorlog van Bosmans Duitse moeder tot een chronologisch verhaal te smeden: haar verhaal overstijgt het particuliere. Het toont aan dat de Tweede Wereldoorlog zo veelsoortige slachtoffers heeft gemaakt. Ook onder gewone Duitsers die niet om deze oorlog hadden gevraagd en er ook door zijn getraumatiseerd, maar die nadien 'geen recht hadden op hun traumatisering'. De moeder van Bosman moest, toen ze in de zestiger jaren met haar Hollandse geliefde trouwde, haar Duitse nationaliteit afzweren. Het moet moeilijk voor haar zijn geweest om een belangrijk deel van haar identiteit op te moeten geven: een stuk identiteit waar ze zich dus blijkbaar voor moest schamen.
Wat waren wij na de oorlog af en toe toch verschrikkelijk onbarmhartig voor sommige mensen. Zoals ook voor de kinderen van NSB'ers die vaak verschrikkelijk werden gepest, terwijl ze er niets aan konden doen dat hun vader lid van de NSB was geweest.
Ik vind het mooi dat de tijd nu rijp is dat we weer open kunnen staan voor elkaars verhalen. Het verhaal van Bosman getuigt van re-ligie: het opnieuw verbinding met elkaar maken. Hollanders kunnen weer goede vrienden zijn met Duitsers, want gelukkig genezen de meeste wonden toch.

Carla Rus, psychiater en dochter van een verzetsstrijder in de oorlog, moeder van twee zonen van wie de beste vriend een Duitse jongen is.

Rol synode stond haaks op de praktijk

Rol synode stond haaks op de praktijk

In: Trouw, Opinie, 20 mei 2015

Carla Rus dochter gereformeerd verzetsman Jaap Rus

In ‘Kerken stemden morele boodschap af op Hitler’ (Trouw, 16 mei) wordt gesuggereerd dat de gereformeerde kerk in de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de vijand. Hoewel de synode van de gereformeerde kerk de laffe attitude voorstond van accommodatie, zegt dit niets over de houding van individuele kerkgemeenschappen. De geïnterviewde historicus Jan Bank stelt dat gereformeerden vaak een verzetsrol ‘toegedicht’ hebben gekregen, maar dat het slechts om enkelen ging. Feiten weerspreken dit. 

Niet alleen hebben illegale kranten als Trouw en Vrij Nederland een gereformeerde oorsprong, ook de LO (Landelijke opvang Onderduikers) is opgezet door dominee Slomp, in het verzet bekend als Frits de Zwerver. Dominee Hans de Jong was de belangrijkste spil van de grootste spionagegroep in Nederland: Groep Albrecht. Ook de OD (ordedienst) die zich voorbereidde op orde na de oorlog maar ook spioneerde en voedselbonnen stal, bestond op lager commando- en uitvoerdersniveau grotendeels uit gereformeerden. In heel Nederland werd verzet numeriek vooral door communisten en gereformeerden gepleegd.

De regering van mijn vader zat in Londen. Dáár bleef hij trouw aan.

Beter dan de rol van gereformeerde verzetsmensen weg te moffelen, is je de vraag te stellen hoe het mogelijk is dat er zo’n groot verschil is tussen het standpunt van de synode en wat veel gereformeerden in de praktijk deden. Gereformeerden is vaak hypocrisie verweten. Hier lijkt het omgekeerde aan de hand. Komt het misschien door de egalitaire structuur van de kerk waardoor kerkvaders eigenlijk niet boven je staan? Of komt het doordat gereformeerden meer dan welke kerkgangers dan ook zelfstandig de Bijbel moesten bestuderen? Dan kom je behalve de brieven van Paulus die gehoorzaamheid aan het gezag prediken, namelijk ook Jezus zelf tegen die het opnam voor verstotenen en in opstand kwam tegen zijn kerkvaders. Pleitten de gereformeerde kerkvaders misschien voor accommodatie uit ongerustheid over hun activistische kerkgangers? Ook dan had de synode zich beter tégen het totalitaire regime kunnen uitspreken. Bank ziet vaderlandsliefde als de verklaring voor de gehoorzaamheid van de gereformeerde kerk aan Hitler. Maar laat dat nu precies één van de motieven zijn voor mijn gereformeerde vader om in het verzet te gaan. Zíjn regering zat immers in Londen en dáár bleef hij trouw aan.