Gebed van een ongelovige Thomas

Gebed van een ongelovige Thomas

Wanneer je bent als duizend draden licht
een veld met stippen paars en wit
violieren in mijn ogen spelen
wil ik je geloven

Maar als u een meedogenloze rechter bent
kleuren uw wateren koud en blauw
in zonnestelsels zonder herberg

Wanneer je bent als warme nevel
die streelt van mens tot mens tot kever
potvis paard en poes wil ik je geloven
Wanneer je bent als dartelende vlinders
die onze geuren als lavendel speuren
ook

Maar als u na uw schepping van de driften
ons rubriceert in hel en hemel
gaan wij onder het billboard
JEZUS REDT
verblind en schietend onze snelweg

Wanneer je bent als zeventig fonteinen
die mijn loden lijnen
wassen wil ik je geloven
Wanneer ik niet alleen met pijnen
mijn kinderen mag baren
maar ook genieten van mijn snaren
wil ik je geloven

Maar als u het ene kind boven het andere stelt
met wielen keppels kruizen sluiers vlagt
worden onder het geschal
ALLAH IS GROOT
hoofden afgehakt

Geloof me:
wanneer u ons klein als mieren houdt
vergeet u dat wijzelf na slikken van slang
en vrucht uw paradijs verruilden voor het zout
waarmee wij goed van kwaad konden scheiden
toont u mij slechts een sleets tapijt

Niet dat ik je niet begrijp
Ook ik moet mijn kinderen loslaten
hun eigen fouten laten maken
opdat ze groeien tot in de hemel
Ook ik vrees hen over te laten aan de sterren
moet vertrouwen dat wat ik heb gezaaid
geoogst wordt op tijdstip X
licht na mijn dood

Wanneer je bent als vluchten vogels
die mij met zwermen tere vleugels traag
het grote water overdragen
verblindt jouw aangezicht mij niet
omdat mijn ziel
je kent

Dan ben je een zee aan piano fluiten snaren
ben je het zachte vuur van gouden draden
waarmee je fijne huiden samenweeft
Overweeg ik zonder weten
aan het eind van alles
een enkele reis op je tapijt
dat ik een vonk ben
van jou

Carla Rus, april 2006

Ons weggetje

Ons weggetje

mijn schaduw strijkt met kortgeknipte nagel
over het paradijs, prikt gretig in Adams navel:
– kijk, het oude weggetje voor bloed en brood

– dat is er bijgetekend. voor kinderen

– dan is Adam niet de eerste mens

– (je hebt een kunstgebit. vroeger trokken ze al je goeie tanden,
dat waren nieuwe inzichten)

jouw streng gesteven schort die mij met Persilwit
wil verblinden draait zijn strak gekruiste banden in mijn blik.
achterwaarts grijpt jouw waarheid mij bij de keel:
– Adam is de eerste mens, geschapen naar Gods beeld

ik roep tegen jouw schoon weglopende strik:
– dan heeft God ook een navel en een heuse moeder.
niet Maria. die is alleen van het kind

je maar ketst tegen de kolenkachel en stoot via jouw
kwetsbare moederheupen mijn gehoorgangen binnen.
je kind toch bereikt me via de klok op de schouw
en golft over je stralende band naar me toe

Ik vraag me af of ik je pijn doe

maar ik weet met heel mijn kleine leven
dat jij de springplank wil zijn tot mijn grote leven:
– dat van die rib geloof ik lekker ook niet

je laat me niet los.
vanuit de hemel zit ik vast aan ons weggetje
zo lang als het oudste epos.
bij de juiste afslag heb je met een engel die ik vaag ken
een wegwijzer geplant zo groot als de Melkweg

Heksenboter

HEKSENBOTER

wil ik dit wel weten?
ja ik wil alles weten, alles begrijpen:
hoe corrosie ontstaat, donderkoppen op elkaar knallen
en niet meer in Wodan geloven

mijn hersencellen
begeren die glibberige gele heksenboter:
lichtorkest zonder Dirigent,
te begrijpen.
ik ben een grote meid

zo vrij wil ik zijn dat ik uit mezelf
naar havermout toegroei

en als ik door paden in vreemde pakhuizen zwerf
die ik herken van vorige niet afgemaakte dromen
met meer dan menshoge blikken selfies,
wil ik de koektrommels uitpakken voor antwoorden.
bij mij geen verlangen te verdwalen
maar honger te vinden

maar wil ik weten
of in experimenten kwetsbare koppen
van aaibare hamsters op elkaar knallen:
in molens worden vermalen om signaalstoffen
van overleden angst te wegen en te meten
opdat ik snap wie ik ben?

Steen der wijzen

Steen der wijzen

Er is niets dat zo sterk bindt als verdriet,
of het moet liefde zijn
Maar die kan na de eerste sprint
alleen voortkuieren als verdriet om de hoek woont

Krijgt verdriet een straatverbod
dan verliest liefde zijn sleutel en breekt
misschien de ware op

Dus vraag bij liefde verdriet
op de thee (met bijvoorbeeld speculaasjes),
de koffie (zo gewenst met chocola),
de borrel (met muzieknootjes),
de maaltijd (met minstens drie diepgangen) en
verover elke lekkernij met aandacht

Het mag een lat blijven
maar wel van echt hout

Pijnboom

PIJNBOOM

Pijn onderscheiden van wat geen pijn is maar
zingende herinneringen die
in zwermen lentes
vervlogen zijn

Pijn onderscheiden van wat geen pijn is maar
haar spiegel die in
duizend beelden breekt tussen
blozende bladeren

Heeft iemand haar ooit beloofd dat haar vuur
niets zou verbranden:
haar schone lijf tot sintels zou sissen,
haar rijke rokken verscheuren,
haar arme ziel kraken?

Haar knisperende pad kronkelt
haar bestemming ongewis.
de meidoorn schetst haar welwillend voor
hoe hij wordt gesnoeid
opdat hij groeit

Merels jubelen tussen haar roze bloesems
net zo bedwelmend als duizend lentes verstreken
hun liefdeslied

Durft zij te horen dat haar eigen geurende golf
haar eigen ooit sappige vlees vervangen
wordt door een naderende vloed
in de eeuwige rimpeling
van één enkele zee:
één paringsdans?

Zij is bijzonder houdt ze zich voor, ze kàn het:
onderscheid maken.
de nachtegaal
lokt

 

 

 

Bijna evenbeeld

BIJNA EVENBEELD

Heeft hij spijt?
Spijt dat hij mensen schiep
ter verdrijving van zijn eenzaamheid?

Met verkrampte nek op zijn troon gezeten
waagt hij te waken over evenbeelden
uitdijend in tal van zucht:
beelden die rücksichslos in koppen hakken,
roetdeeltjes trekken in zijn klare lucht.
Heeft hij spijt?

Had hij mensen maar uit stukjes hemel gemaakt,
een zonnetje boven de wei getekend,
en niet uit stukken koud heelal
van ver na de oerknal
zodat entropie zijn kudde wettig
uitéén kon drijven
in vreemden en geweld

Is het hem daarom te doen:
om zijn zelf gevonden woord barmhartigheid?
Schiep hij hen net even anders dan zijn evenbeeld
opdat ze zouden lijden
en hij door geboorte in het vlees kon mede lijden
op zoek naar waarheid?

Wist hij waaraan hij begon toen hij na alle zeeën, meren,
landen in miljarden kleuren, algen, vissen, beren,
apen in vele soorten, het mensenkind ontwierp?
Wist hij dat het van die boom zou snoepen
waardoor zijn hoofd ging groeien:
goed en kwaad kon wegen
zonder veel geweten?
Stuurde hij het daarom uit zijn paradijs?
Heeft hij spijt?

Mensen vragen in hun schiet- en andere gebeden
troost.
Wordt het niet eens tijd hèm te troosten?

 

 

 

BRIEFJE VOOR DE WEDUWE

BRIEFJE VOOR DE WEDUWE

Een engel zorgt voor de ander:
troost de ander,
borgt die ander,
draagt de lichtlantaarn in zijn duistere ruimte.
daar lijkt zij voor geschapen.

Maar wat als die ander de grote overtocht maakt
naar de lichte ruimte,
de engel alleen achterlaat:
werkeloos.
Wie troost de engel?

Een engel is nooit alleen,
al is haar schare in het duister
slecht zichtbaar,
slechts voelbaar.

Dus kom op jouw tijd met je vermoeide vleugels
naar ons toevliegen.
wij kennen hem:
in beelden, woorden en stilte.
wij wachten op je met wijdopengespreide vleugels,
zullen die om je heen slaan:
licht, teder, stevig.

Carla, 25 mei 2015

 

 

 

 

TEDERE MEESTER

TEDERE MEESTER

Haar beeld rustte al tijden voor zijn beitel,
vijl en schuurpapier
in de eeuwen en zijn ziel

In de navel van de wereld schuurden schollen
met geweld tegen elkaar:
breuklijnen en bergen
schiepen diep in de aarde
in heilige hitte
het witte
goud

Zwaar en ruw is de steen,
in zijn binnenste wacht het breekbare beeld

Hij hakt als een god met teder betoomde kracht
zodat hij de natuur niet verkracht:
zijn baring breekt binnen breuklijnen
verlangend naar haar contouren

Over zijn gezicht stromen parels in prikkelend zout
als hij haar vormen vijlt en polijst
van grof naar verfijnd
van groeven naar poeder dat kleeft in zijn haren.
na duizend nachten verzacht hij het schuren in water
waardoor haar huid als glas gaat glanzen en tranen,
in grijze parels afglijdt

Zijn knoestige hand ligt op haar gladde ronding
als na een orgasme aan de monding
van de rivier ontsprongen in de bergen van Carrara.
vingers tasten de kleine krassen van zijn naam
in haar geschiedenis

 

 

Veilig openbaar

Veilig openbaar

naakt loopt hij:
naakt zonder hemd, zonder veters,
ziel onder zijn schaamte.
een vriend van de hangplek, een broer, een afgesneden moeder
zouden zomaar zijn ziel zonder boord kunnen zien, diep hier
door heen
kunnen raken. Dat deden zij in de jaren dat zijn haren
door kappers werden geknipt,
in dicht struikgewas en
sloten vol kroos.

hij zoekt in de straten altijd naar lantarenpalen,
ligt niet zoals anderen onder bruggen.
iedereen kent alleen zijn lompen,
zijn ziel verborgen
voor heen.

HOE OUD

HOE OUD

De vrouw vroeg zich af hoe oud ze wilde worden
Ze besloot te wachten tot haar zintuigen zouden verstoffen
en de poort tot haar geestesoog
open zou gaan,

te wachten tot haar lichtgevoelige cellen op het ritme van de zee en de maan
zouden kunnen zien hoe talrijke vogels aan komen zwermen
om zich over een oude merrie te ontfermen
in de rui: haar versleten paardenharen als best
te gebruiken voor hun nieuwe nest

Dan zou ze rustig kunnen gaan

Carla Rus, januari 2017

WOORDEN

WOORDEN

Door het regenwoud geregen klaagt
de uil in een kruin lange klamme nachten
ijl van toon de dood aan

Onder een dak in de stad van vrede en recht klaagt
de uil in torenhoge stapels stukken
mensen die het klamme hout kappen aan

Kappende mensen klappen en klappen
of een uil wel wijs is en
klappen voor zichzelf als wijzer

Als hun toren van Babel omver wordt geblazen
rollen mensenwoorden kakelend de trappen af:
struikelen over elkaar
als in een drukke winkelstraat

De uil vliegt moegeroepen in de vleugels
van de nachtelijk aangeklaagde dood:
de gum, deleteknop en
versnipperaar:

Schrap, schrapte, geschrapt
wit, witter, gewit
stil, stiller, gestild
leeg, leger
(strijdbijl begraven)

Rust

HOGE GEZANT

Hoge gezant

ze ligt voor het raam:
de vrouw van wie de blinden van haar ogen zijn gevallen,
die weer ziet als een kind
hoe de pluimen wiegen op de winterwind
als slingers van het lage licht.

de pendule houdt zijn adem in,
de stilte draagt gewicht.

plots zwaait de dirigent zijn woeste wolken tot elkaar
waardoor haar oren knappen
en zij vurig bidt niet te hoeven knakken nu de aarde
maanloos is en het oordeel mild mag zijn als zij boven komt om te zingen
en te fietsen.
haar fiets staat nog in de schuur.

soms is het goed je huid en ogen maar te sluiten
en te wachten tot het overwaait.
niets te verwachten: hoop oogst op zijn hoogst
wat hij belooft
na een volkomen onbekende slag
van de klok.

die nacht nemen de engelen haar zwaarte weg
maar als de zon haar wakker licht durft zij niet te kijken.
het is opnieuw stil, doodstil.
na de storm.

ze durft

dan juicht en springt het kind in haar:
de fiere pluimen wijzen ongeknakt naar boven.
voor Pampus liggend wiegt en weegt zij haar beschikte lot:
stoer slikt zij haar pil

SPEELGOEDHOND

SPEELGOEDHOND

Als de spiegel breekt in mist,
dagen aan flarden worden gegist,
Wie zet toch die lampenkap op zijn kop? –
licht niet langer op het laatste nieuws schijnt,
steeds dieper de aarde in verdwijnt

Nee, zij niet, zoiets zou zij nooit doen,
dat doen alleen mensen die de weg kwijt zijn –
zij poetst en poetst het katoen

van de lampenkap kapot,
poetst haar tanden met de haarborstel
haar haren met haar tandenborstel,
geeft hem uit duizenden haar zoen

Wat moet de gebogen man doen
nu de ratio zijn burcht is maar het argument
gestorven,
zij schaterlacht om een speelgoedhond
met een sleuteltje aan zijn kont
om hem op te winden

Hij droomt in haar hun afgelopen weg: in woestijnen
op golvende kamelen gereden,
na stijle bergtochten naakt in meren gelegen,
haar vruchtbare bekken moegestreden:
voorover gekanteld als een offer aan
vreemde gezichten aan de muur

Hij ruikt tussen haar plooien en rimpels een zweem
van hen twee van voor het pleistoceen:
haar kieuwbogen
van toen zij nog van de zee waren,
haar staartbeen
waarmee zij in traverse langs rotsen zwierden

Marmor, Stein und Eisen bricht,
alles, alles geht vorbei aber unsere Liebe nicht –
hij veegt de scherven naar het licht
en koopt de hond

WAANZINNIG GROEN

WAANZINNIG GROEN

Zij denkt dat deze zee aan grasgroen gras waarin de madelieven dartelen
en de paardenbloemen zingen van haar is.
Zij heeft geen enkele twijfel dat dit deel van de aarde van haar is,
alleen van haar.
Zij is het immers die zaait, snoeit, harkt en de erfpacht betaalt?

Maar als de zon slaapt is haar paradijs voor het rijk der slakken:
geheel naakt of met een eigen huis.
Waar zouden de naakten slapen?
Zij eten de blaadjes van de bloemen en zijn verkikkerd op haar hosta,
zij raspen en zuigen het ene gat na het andere en ook zij denken
dat dit stuk van de aarde van hen is,
alleen van hen,
terwijl zij slaapt.

Als de maan slaapt zoent het zonlicht de aarde: de gele rozen, blauweregen,
roze hibiscus, witte yucca, fluwelen rus en het grasgroene gras.
Als de maan slaapt denkt de vrouw nog harder dat dit deel van de aarde van haar is,
alleen van haar.
Alsof mussen heggen als heggen kennen.
Alsof vlinders van hekken houden.
Maar laten we haar maar in die waan houden.
Het enige wat ze heeft zijn
groene vingers.

Wijwater

Wijwater

hete stof waait schraal door het arm gemis
van rendement en booming business.
de macht van d’aarde waar jouw wijngaard ligt
pint vast je mazzel, marktwaarde en gezicht.

de jonge druif verlaat wortel en bewind,
vlucht op de zeewind samen met zijn kind,
maar hete stof waait schraal door zijn gemis
en rendement en business zijn ongewis.

zeeën en hekken van hemel hoog ontwerp
scheiden het niet-beloofde land vlijmscherp
van hem: geen mens, slechts voorwerp.
eerst slaaf nu vluchteling op de markt,
zijn bronzen huid door brandstof gemarkt.

1 druif, 2 druiven…, hoeveel passen in één boot?
zij worden met voeten getreden als joden in nood.
de zee kleurt rood als water bij de wijn wat dromen doodt.
hoeveel schepen? 1 schip, 2 schepen…, een hele vloot.

er drijft een beer, een pop en nog wat in het water,
iets om te redden? geen tijd om te kijken, misschien later.
1 druif, 2 druiven…, hoeveel passen in dit wrak?
teveel zielen om te tellen waardoor het schip brak.

witte rovers van de aarde en haar dampkring
zien hen als bedelaars beneden de juiste keerkring,
als mieren zonder ziel; ach, misschien later.
1 mier, 2 mieren…., hoeveel mieren in het water?

eeuwen van roven eist eeuwen van schaamte,
pas dan vormen zij en wij één duur geraamte,
eten we het sappige vruchtvlees van deze aarde
die bomen, beren, mezen, mieren, mensen baarde.

tot zolang waait brand stof door ‘t schraal gemis,
leven we voor meer meer booming business.
mensen op drift zijn als wolken die zwerven
van water naar water waar zij zullen sterven.

eeuwen van roven eist eeuwen van schaamte,
pas dan vormen wij en zij één duur geraamte.
bomen groeien niet tot in de hemel zoals jij beliefde.
het enige offer na zulk grieven is eeuwen lang liefde.

Jan. 2017, Carla Rus

Schuilen

Schuilen

1

haar witte jurk gekant en vol geruis,
de ranke armen open voor een ieder
sluiten alleen hem dicht tot een thuis.
het afscheid maakt hem tot nestvlieder

de vrouw is trots op haar soldaat en zal
elke mail, elk app, elke blog lezen,
vol vertrouwen amper iets te vrezen:
de kans op zijn dood is een klein toeval

zijn vinger roert haar lippen wijd
zijn tong glipt naar binnen vlijt
zich samen met haar sap en dicht

haar donkere holletje een veilig plein
zonder gezicht, gehoor en oh zo klein:
een speelkwartier in ‘t tere licht

2

waar is zijn hart onder ’t zware gewicht?
hij spiedt over het zand in zijn armen
een spuit, zijn aard gebukt onder plicht.
gesluierd smeekt de vrouw om erbarmen

zijn ziel vlucht zijn schutkleuren uit
terwijl zijn hand met ring granaten
gooit naar trommelvliezen. zijn bruid
verdwijnt ver weg zijn zijn maten

automatisch is zijn wapen, automatisch
zijn geest. de dreun bereikt zijn borstvlies,
het vuur grijpt om hem heen

de doden zijn niet van hen, maar van
wie wel? is zij de vrouw van die man
in hun schootsveld: dat stomme toeval?

3

verlof bevrijdt hem uit de hel
even wel waar is zijn ziel gebleven?
zijn hamers timmeren tijdloos schel,
het aambeeld laat zijn muren beven

’s nachts schokt hij overeind,
ziet aan zijn voeteneind als waar
dat opengereten hoofd: dierbaar
voor haar die nooit verdwijnt

schichtig is hij, ziet een spoor van
rode rotjes op straat, kruipt samen
met de hond ver weg van de ramen

schuilen in haar schoot gaat niet
meer. weggekwijnd geen hooglied
voor hem die almaar in ‘t zand spiedt

Carla Rus, Dec. 2016

Mijn lief

Mijn lief

Jij staat altijd achter me
ook als je naast me staat
of tegenover me
Als je tegen me bent
ben je nog voor me
Hoe heb ik je kunnen kiezen?
Ach Neeltje die ik bemin
om haar ene zin:
voor wie ik lief heb
wil ik heten

Carla Rus, Dec. 2016

Wind beweegt mijn tak

Wind beweegt mijn tak

Mijn klein paradijs:
jaren zicht op seizoenen,
elk uur weer anders.

De vijver is klein,
de reiger staat op één poot.
Wacht: de pad springt weg.

Een witte vlinder
vliegt vlug door mijn paradijs,
zoent zachtjes mijn ziel.

Krekels in de nacht,
spinnenweb in de yuka,
het duister streelt zoet.

De rode wingerd
strooit bladeren op mijn pad,
de herfstzon kleurt goud.

Koud en grijs is het,
een winterkoninkje zit
op mijn kale tak.

Bomen tekenen
stil bloedvaten in de lucht;
wind beweegt mijn tak.

Sneeuw valt met pakken,
een tulp schijnt dood. De zon komt:
de tulp blijkt fris rood.

De natuur is klaar
wakker. Bloemen geuren zacht,
de wesp wil steken.

Carla Rus, 2016

zonlicht

z
zo
zon
licht
icht
cht
ht
t

z
zon
zonlich
zonlicht
dwaallic
htkerstl
ichtdwa
allichtk
erstlicht
zonlicht
kerstlic
htdwaa
lichtkers
tlichten
zonlicht

 

 

Als
we elkaar
bijlichten op
ons levenspad
van klei, veen of zand,
verdwalen kinderen minder
snel en zien wij scherper onze
les; voelen jongeren zich meer thuis
in ons vlakke – uit zee gewonnen – land,
worden zij minder snel ontvankelijk voor
de ratten-
vangers
van
I S

 

 

Als
we het
vlammetje van
de duurzaamheid
aansteken en er hélemaal
voor gaan; álle jongeren onder
de zon hierbij betrekken en hen
oprecht zien staan, worden we ieders
lichtje op ons levenspad van klei, veen of
zand, zien wij scherper onze les en nemen
we elkaar
liefdevol
bij de
hand

 

 

In de
lichtstad
opende pure haat
het vuur op geliefden en
genot: pijlen van afgedwaald
licht verbrandde ons vlees en bracht
dit rechtsstreeks bij God; hier viel ook
het vederen besluit zonlicht te verzilveren
op de héle aarde en in élk land: zonlicht dat
jongeren kan bijschijnen op hun levenspad
van
klei,
veen
of zand.

Carla, kerst 2015

Kinderziel

Kinderziel

Je armen zo klein met blauw
geborduurde pofmouwtjes
beschermen,
weren af:
mijn aanraking.
Je schouders zo smal
opgetrokken met
nauwelijks zichtbare abrupte
schokjes in die lieflijke mouwtjes.
Je ogen half geloken:
duistere kerkers,
lange zijden wimpers
werpen fragiele schaduwen
op je zachte wangen.
Je schuift onrustig op
mijn grotemensenstoel,
je gouden laarsjes
raken niet de grond,
je benen zo dun met witte maillots
schommelen driftig
heen en weer:
wil je weg?

Je hoeft niets, wees gerust:
Ik zal je niet aanraken,
voorlopig niet,
je bent hier veilig.
Dit zal je niet geloven,
voorlopig niet:
je vertrouwen vloog weg met
wijd fladderende vleermuisvleugels,
je oren – gespitst vastgegroeid op je koppie met
paardenstaart en roze strik,
horen alles,
je neusvleugels – bijna permanent opgetrokken,
ruiken alles,
als ik even niet kijk,
kijk je snel en verholen naar mij,
je ziet alles:
je ooglenzen zijn vergrootglazen,
je zenuwen hebben zich ragfijn vertakt,
jouw beeld van mij is groter dan levensgroot:
ben ik een reus met zevenmijlslaarzen?
een heks met waanzinnig lange nagels?

Aan mijn muur hangt een schilderij
van een cypers katje. Je ziet een tijger.
Je mag tekenen:
je potlood schraapt scherp
een middeleeuwse burcht
met puntige kantelen,
muren zo dik en hoog
dat er geen licht en warmte
van de zon doorheen kan,
grachten zo breed en diep
dat je niet op avontuur durft:
je zou verdrinken;
in die zelfgemaakte vesting wacht
je kinderziel ineengedoken
op betere tijden.

Je vindt tekenen leuk,
je houdt van kleuren:
geel, blauw, rood, groen, paars,
in strepen naast of door elkaar,
dan, onverwacht een meoriet: veel zwart,
zwart, zwart, zwart,
je maakt je burcht inktzwart,
de grafieten punt breekt af, je rilt,
ik mag je nog niet troosten,
geduld, geduld, geduld,
je vindt je tekening nu lelijk,
wilt hem weggooien,
Ik vraag of je de gom durft te gebruiken,
je kijkt me net iets langer aan en
Ik zie een glimp van jouw kinderziel:
dartelende vlinders, schitterende sterrenstof,
liefde als traag meanderende rivieren en
luid bulderende watervallen, jonge
vogels die zingen tijdens hun vlucht:
een glinsterende, broze diamant.
Jouw zwarte burcht is een engelbewaarder.

Je gumt en gumt en gumt of (omdat)
je leven ervan afhangt;
jij staat mij toe dat ik het papier aan mijn
kant van de tafel met twee handen fixeer,
jij gebruikt hiervoor je kleine linker knuist en
veegt met je rechter heel hard naar rechts:
de muren worden dunner, niet mooi,
maar doorzichtig grijs. Hier zou misschien
wel een superklein dun zonnestraaltje
doorheen kunnen glippen.
Klaar! roep je bijna enthousiast.
Ik vraag of je nog een keertje
terug wilt komen.
Bijna onmerkbaar knik je
met je koppie, ik zie het aan
je roze strik die half los is gegaan
tijdens je noeste arbeid.
Je geeft me uit jezelf een hand:
een klam handje;
de vleermuis houdt zijn adem in,
blijft muisstil zitten.
Ik voel mij diep vereerd.

Carla Rus, 11 december 2015

Lovergirl

Lovergirl

Alleen jouw huid, niet jouw ziel wil hij:
een tere bloem nog in de knop verkopen.
Jíj bent het die zijn liefde en erkenning wil,
de sleutel tot jouw heiligdom laat lopen.

Je spiegelbeeld oogt schoonheid die ontluikt,
ook een verlangen dit aan de wereld te tonen.
Maar hij wil alleen je huid en niet je ziel:
een tere bloem nog in de knop verkopen.

Je werd gelokt, geïsoleerd en toen gebruikt;
verraden werd je liefde en de sleutel tot je edele
delen verkwanseld. Je zelfbeeld – verscholen
in alle vezels van je lijf – bevroor totdat het viel:
hij wilde alleen jouw huid, maar stal je ziel.

Carla Rus, 11 september 2015

Gedicht voor jou

Gedicht voor jou

Een gedicht voor mijn liefste,
voor stilte na de storm.
Een storm die schijnbaar onverwacht aankomt
woeden zo hard en guur
dat jij en ik wegwaaien
als hoge rietstengels
bijna
knakken
terwijl wij ons niet aan elkaar
vasthouden
want we zijn elkaars storm:
twee lagedrukgebieden in botsing
strijdend om hun gelijk,
een strijd tussen eigenliefde en
liefde voor de ander.

En het diepe water roept,
zuigt tot angstig zwart,
de orkaan trekt aan tot een
hoogtepunt.
Kan het nog dieper:
dat water,
die liefde?
Hoe diep moet jij gaan,
hoe diep moet ik gaan,
totdat ik weet dat ik
leef,
nodig ben,
geliefd ben,
en ik jou als liefde
accepteer
zonder twijfel
om wie jij bent?

Ook als je niet bij mij bent
omdat je zit in jouw eigen woestijn
op de bank zo dichtbij,
terwijl de wind huilt,
de wolken razen
de eenzaamheid dreigt,
de kilte snijdt,
jij door het koude water
mij niet meer hoort
roepen.
Heel hard,
steeds harder
tot mijn orkaan aanzwelt
tot een tropische cycloon
zo overweldigend en verschrikkelijk
dat de meeuwen van onze eigen zee
onrustig krijsend rondjes vliegen
waardoor ik jou niet meer hoor
roepen.

Stilte na de storm
kan met dit:
een gedicht;
zodat ik kan geloven
in jouw liefde,
het water rustig wordt:
strak en nog steeds diep
maar een geheim
prijsgegeven.
Maar het water is zo onmetelijk diep,
kan zoveel geheimen herbergen,
hoeveel stormen zijn nog nodig
voordat jij en ik,
vooral ik als gevangene
van jouw liefde en
ons huis,
ben uitgeraasd?

Elkaars adem proevend
de tijd hebben.
Elkaars stem horen
de tijd nemen:
een gedicht
als stilte na de storm,
als troost.
Elkaar vasthouden
niet verstikken maar
aanraken:
jouw hand
de mijne
jouw ziel
de mijne:
een verbond.

Carla, 2015

Gemankeerd

Gemankeerd

Jouw hand zoekt mijn dij,
mijn dij zoekt jouw hand,
aarzelend en bezonnen,
vanwege mijn diepe pijn.

Onze liefde stroomt gestaag,
maar de bedding is zo smal.
Elke druk van jouw hand,
elke beweging van jouw arm,
elke zinnelijke zoen van jouw lippen
op de mijne, kan teveel voor mij zijn.

Onze geesten reizen naar het verleden:
naakt naast elkaar in ‘t frisse gras,
de geur van wilde lavendel in onze neuzen,
gekriebel van sprieten op onze huid.

Vingers op fijne plekken,
het gewicht van jouw torso
op die van mij. Het schuren van
jouw weelde op mijn welving,
mijn ontvankelijkheid vanbinnen:
de klankkast van een viool.

Tedere adagio van zacht zingende egels,
ingehouden speelsheid, want beducht
voor ‘t naderen van allegro con fuoco:
ooit gewenst, maar allang niet meer zo.

Onbezorgde nabijheid verdwenen,
jouw vocht vangt bot in mijn woestijn.
Bedachtzaam is onze omhelzing, een
koesterende streling die nog nét kan.
Een streng verbod op vlees en driften:
dopaminedriften van het gezonde zijn.

De geuren van bloemen verdiepen,
het geluid van mijn snaren zwelt aan,
jouw toog schenkt vol en nog voller,
ten finale scheppen we eigen polder.

Jouw borst rust hijgend uit
op ons intiem gewonnen erf,
je gezicht oogt zacht en dankbaar,
tevreden tot in je diepste nerf.
Mijn lieve lippen blijven dorsten: de
strijkstok brengt mij het zoete eind.

Hartstocht en passie zijn
nu stil en doof verdriet.
Lachende herinneringen
strelen teer maar doen zeer,
zijn vervagende dromen in
een immens tragisch lied
van violen die klagen: zulk
genot komt nooit weer.

Mijn acceso is gesmoord:
ik schoof het aan kant.
Mijn lief helpt nu zichzelf
met zijn eigen vrije hand.
Rest ons de gehechtheid,
de troost van hormonen:
die heilige hormonen uit
ons zelf gewonnen land.
Behoedzaam zoeken wij
de beroering: naderbij,
naderbij…
jouw hand in de mijne,
jouw ziel in die van mij.

Carla Rus, September 2015

Getourmenteerd

Getourmenteerd

Ik
Ik weet
Ik weet niet
Ik weet niet hoe
Ik weet niet hoe ik
Ik weet niet hoe ik verder
Ik weet niet hoe ik verder moet.

Móét ik dit nu doen?
Moet ík dit nu doen?
Moet ik dít nu doen?
Moet ik dit nú doen?
Moet ik dit nu dóén?

Twijfelt mijn nature of nurture?
Ik schil mijn zure appel af
in eindeloze spiralen
en overweeg
de slang.

Ik
Ik kan
Ik kan niet
Ik kan niet verder.
Ik
Ik ga
Ik ga verder.

Schaduw
Schaduw is
Schaduw is verborgen
Schaduw is verborgen licht.

Carla, 18 sept. 2015

Kinderspel

Kinderspel

Rolverdeling:

Als jij de koning bent
als zon,
en ik de koningin
als aarde en maan,
kun jij mij bewegen
en ik mijzelf.
Kun jij mijn borsten verwarmen
met jouw stralen,
mijn hemelstreek bezetten
met jouw rib;
kan ik jouw dragen op mijn bodem
en laten thuiskomen
in mijn schoot.

Spelregels:

Verboden is het
met je speelbal
ongevraagd mijn aarde
in te zinken.
Kijk uit!: dan dreigt
mijn (water)val,
kun je in diepe
ademnood verdrinken
in de zoute vloed
van al mijn tranen,
breekt jouw stom
gemis aan kennis
van mijn regels over
eb en vloed jou op:
mijn cyclus dood(t),
een bal op je kop!

Verklaring spelregels:

Als ik blank en vol ben
en jouw koper rood,
kan jouw hitte mij
verbranden: verassen tot
pure stof en schroot.
Begrijp me:
dáárom hul ik mij
in gordijnen water,
in woorden verborgen
in vette crême.
Want ik kan jóú niet
bewegen of stuiten,
slechts verlangen en
ontvangen,
of uit benauwdheid
voor de kater
gemeen en snel
mijn luiken sluiten.

Uitslag spel:

Jouw zon trekt mij aan,
mijn aarde mijn maan:
een spel uit één bron.
De oerknal slingerde ons
door het heelal
ver uiteen.
Maar als we elkaar
– gas en steen –
als dierbare dwergen
blijven zoeken,
mag jij elke prille
ochtend en nacht
zonder doeken
in mij zwemmen;
mag je mij
oh rood liefdespij
bedekken tot
aan mijn horizon.

Wanneer wij
in onze banen
dartel blijven
draaien en keren:
In spin de bocht gaat in,
blijft de aarde
smeuïg en vet;
wens ik mijn hoofd
te laten slapen
op de schouder
van de koning
in een stout op
muziek gezet
vertelsel
over ons mooie
minizonnestelsel;
verstrengelen wij
innig terwijl ik zing:

Engelenvleugels
toveren voor
dit liefdespaar
sneller dan
één lichtjaar
de hemel om tot
zoet gewelf.
We zijn beiden
winnaar:
schitterende
sterrenstof,
maar
gewoon
onszelf!

Carla, augustus 2015

Hebron

Hebron

de eelten moederhand houdt aldoor
die ene zwarte klokslag tegen:
flits in de tijd die haar ziel bevroor
onbestaanbaar dus verzwegen

krimpen de vogels en de wind,
gaat ooit die schelle fluit voorbij?
huizen zijn al eeuwen ruïnes, hij
ligt met zijn hoofd op een kei

Ismaël werd klein geboren, haar eerste
van Abraham bijna vroeg verloren aan
woestijnen vrees toen afgunst heerste

zijn zwakke hart een moedig soldaat
dat aandringend tikte om te geven
terwijl zij het broze leven slechts bevend
aan Allah is groot over kon geven

nu knokt zij zelf met blote moederhand
achterwaarts tegen een klagende muur
van tijd; steeds vergeefs, steeds te laat:
weggestuurd naar niemandsland

haar zoon was veel beloofd:
stampte tal van verbanden
en Latijnse namen in het hoofd
onuitverkoren tussen zijn handen

hij loopt voor brood met zijn zus
naar de overkant van de straat,
halverwege breekt haar kus,
waarom vergat God deze granaat?

elke nacht stroomt haar straat
diep in haar schoot donkerrood,
haar hoofdkussen fluit een schelle noot
die nooit meer overgaat

Carla Rus, april 2016

Vliegende mier

Vliegende mier

Een vliegende mier:
dat is wie zij is.
Een mier die één keer per jaar
haar vleugels verliest.
Het hele verdere jaar kruipt en ligt zij
diep in de donkere grond,
bijt in de bittere aarde,
werkt zich hard door de tijd heen
om hem vruchtbaar te verstrijken,
worstelt met de materie,
met haar kleine lieve leven,
met haar nog kleinere zachte ziel, terwijl
ze probeert los te laten dat
ze ooit toch écht kon vliegen.

Zo wonderlijk hoog en ver kon
zij vliegen als mierenkind
in haar mierendromen.
Zij hoefde alleen een
aanloopje te nemen,
haar armen uit te slaan en
dan vloog ze op: hoger en hoger
tot ver in de wolken, want een
gewaarschuwd kind telt twee vleugels,
vliegt niet naar de zon, blijft
dichtbij moeder aarde,
kijkt naar beneden zodat zij scherp
de kleine en de kleingeworden
grote mieren kan zien.

Maar ook al lijkt zij een koningin
van stature met al die werkmieren
die dienen en haar en het
nest in leven houden:
ze is een werkster!
Ze werkt zo hard als zij
haar hele vrije vliegende bovengrondse
leven nog niet heeft gedaan.
In diepe duisternis zonder horizon en
zonder licht aan de horizon.
Wie begrijpt waarlijk een koningin
zonder zelf ooit
koningin te zijn geweest?

Carla, jan. 2016

Mijn kruis

Mijn kruis

Twee lijnen violet van kleur
kruisen
elkaar in een
geel korenlandschap
– zoals onze wegen
elkaar elke dag kruisen,
op één punt uitkomen
dat in de wiskunde niets is
maar voor ons
alles:
een uitgestrekt glooiend sapgroen grasveld
om tijdloos tegen elkaar aan te liggen
tot aan de horizon waar ons verdwijnpunt ligt,
of in ieder geval
veel:
een veld met uitbundige zonnebloemen
om juichend naast elkaar te rennen
met de armen omhoog naar de hemel gericht –

en vervolgen
hun dunne paarse
weg in de gele uitgestrekte vlakte
naar het oneindige: het grote licht
dat niet echt
het oneindige is
als we de ouderwetse
tangens van onze wiskundeleraar
– die op de schouders van giganten staat –
mogen geloven
of de nieuwerwetse
tijdruimte van de grote Einstein
– die zelf al lang voorbij de horizon is –
die afbuigt
dus haar lijnen van welke kleur dan ook
ook.

De vraag is of
de weglopende levenslijnen
elkaar daardoor toch ooit weer
zullen kruisen in
een snijpunt van zachtgroen of vlammend oranje
of misschien in een stralend brandpunt gevormd door
het licht dat witte krokussen ons geven wanneer
de lentezon hen zachtjes wakker zoent.
Ik hoop hard
dat die violette lijnen niet
echt naar het oneindige
lopen
want dan kan
mijn knoestige bruine houten
bij tijden loodzware kruis eindeloos
duren
want wie zegt
dat mijn kruis

ophoudt
dichtbij
het kruispunt en
de loodlijnen niet gewoon doorlopen
in diepdonkerbruin?
Eindeloze inlegkruisen,
eindeloze
cycli van bloedrood of roestigbruin,
eindeloos
tranen van verdriet om
eindeloos veel oorzaken:
want de hele wereld rust bij tijd en wijlen
op mijn pijnlijke schouders,
eindeloos
mijn keel dichtknijpende angst om
de kinderen
over wie ik zo verschrikkelijk goed kan fantaseren
want in mijn nachtelijke moederhoofd
loop ik alle mogelijke lijnen af
alsof ik de kwantumfysicus Bohr zelf ben
tot in de ochtend de engelen de ergste zwaarte van mij af
hebben genomen en ik toch doorga,

eindeloos veel
pijn van mijn ziekte die onuitgenodigd met me oploopt
tot aan mijn horizon naar ons beider verdwijnpunt,
eindeloos
aftakelen en onttakelen en denken: kan het nog erger?
En jij mijn liefste loopt met me mee
in rustig blauw met een fakkel die ons bij schijnt
zo ver, dat de herfstbladeren
onder onze voeten knisperen
maar niet helemaal tot het verdwijnpunt
van mijn leven en mijn ziekte
want jij hebt een ander verdwijnpunt. Op jouw tijd.

Ik hoop dat de lijn van mijn leven
afbuigt:
een eindig kruis is van
bruine krampen, rode pijn, grijze dagen,
violet tikkende seconden,
een brandend oranje
kruis desnoods,
maar eindig.
Ik verlang wel met heel mijn ziel dat
onze wegen elkaar al die tijd
blijven kruisen
iedere keer in een ander landschap
met andere luchten en bloemen en bladeren en pruimen:
het uitzicht op dit kleinste paradijs op aarde
vanuit mijn gouden kooi
waarin ik gevangen zit
als een kleine kwetsbare vogel die laag bij de grond
leeft als een kikker maar die door haar ziekte
een vogelperspectief heeft ontvangen
met kruisen en mollen en muziek en sleutels en tra la la
tot in het oneindige.

Ik ben niet opgevoed
om dit af te smeken met
drie kruisjes te slaan
op mijn hoge blanke voorhoofd
daarna op mijn borst waar
de ribben doorheen steken maar
waarin mijn hart nog warm klopt
voor ieder die mijn weg toevallig
of niet toevallig kruist
en mijn linker en rechter brede schouder.
Daarom zet ik simpelweg
bij het hokje van dit verlangen
een grafieten
kruisje.

Carla, 10 okt. 2015

Battle of the Scheldt

Battle of the Scheldt.              eind 1944
Woensdrecht brandt, stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde;
bevrijders komen uit het oosten, zuiden en westen,
gaan waar de vijand zit: de bunkers, mitrailleursnesten.

Explosies in het met zeearmen doorregen land
scheuren dorpen uiteen: mensen en dieren, hun zielen;
soldaten ploeteren in de striemende regen door het slijk:
zonen van ver over zee in een geknecht koninkrijk.

Generaals wilden door, maar voorraad blijft plicht,
dus reizen vermoeide helden naar het tere Hollandse licht,
scheuren explosies in het met zeearmen doorregen
land steden uiteen: mensen en dieren, hun zielen.

Antwerpen is bevrijd, haar navelstreng van de vijand,
Adolf maakt zich sterk: geeft aan de oevers felle weerstand;
Zeeuwse boeren worden uit huis gesleept voor nieuw beleg:
rommelasperges moeten zij planten in akkers aan eigen weg

In Schoondijke spaart het vuur Gods huis, verder staat er geen,
een jongen verliest zijn broer, zijn vader verliest zijn been;
fakkels steken Breskens aan, ‘t stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde.

Bevrijders komen uit de lucht, de zee en ‘t kale polderland,
heimwee knaagt, rouw om het dode maatje in dit vreemde land;
een vuurbal treft het stadje Sluis: ‘t stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde.

Dijken worden vermorzeld: bescherming voor gewonnen land,
gekrijs van metalen meeuwen met moedige jongens bemand;
ontploffingen en watergolven – opgezweept door woeste wind,
dijkbrokken in een zee die meester wordt van land, vrouw en kind.

Mekkerende schapen, een stoel, een kadaver van een zwart paard:
alles drijft in het verdronken land ver weg: weg van huis en haard,
dijken worden vermorzeld rond gewonnen vruchtbaar land,
gekrijs van metalen meeuwen met bange jongens bemand.

In Westkapelle vluchten families de molen in als ratten in de val,
in Vlissingen blijft slechts één huis intact in straten van verval,
het vrije water is rood van tranen om duizenden zonen die vielen;
oorlog scheurt organismen uiteen: mensen en dieren, hun zielen.

Carla Rus, 3 oktober 2015