Auteursarchief: Hans van Helvert

Veilig openbaar

Veilig openbaar

naakt loopt hij:
naakt zonder hemd, zonder veters,
ziel onder zijn schaamte.
een vriend van de hangplek, een broer, een afgesneden moeder
zouden zomaar zijn ziel zonder boord kunnen zien, diep hier
door heen
kunnen raken. Dat deden zij in de jaren dat zijn haren
door kappers werden geknipt,
in dicht struikgewas en
sloten vol kroos.

hij zoekt in de straten altijd naar lantarenpalen,
ligt niet zoals anderen onder bruggen.
iedereen kent alleen zijn lompen,
zijn ziel verborgen
voor heen.

HOE OUD

HOE OUD

De vrouw vroeg zich af hoe oud ze wilde worden
Ze besloot te wachten tot haar zintuigen zouden verstoffen
en de poort tot haar geestesoog
open zou gaan,

te wachten tot haar lichtgevoelige cellen op het ritme van de zee en de maan
zouden kunnen zien hoe talrijke vogels aan komen zwermen
om zich over een oude merrie te ontfermen
in de rui: haar versleten paardenharen als best
te gebruiken voor hun nieuwe nest

Dan zou ze rustig kunnen gaan

Carla Rus, januari 2017

WOORDEN

WOORDEN

Door het regenwoud geregen klaagt
de uil in een kruin lange klamme nachten
ijl van toon de dood aan

Onder een dak in de stad van vrede en recht klaagt
de uil in torenhoge stapels stukken
mensen die het klamme hout kappen aan

Kappende mensen klappen en klappen
of een uil wel wijs is en
klappen voor zichzelf als wijzer

Als hun toren van Babel omver wordt geblazen
rollen mensenwoorden kakelend de trappen af:
struikelen over elkaar
als in een drukke winkelstraat

De uil vliegt moegeroepen in de vleugels
van de nachtelijk aangeklaagde dood:
de gum, deleteknop en
versnipperaar:

Schrap, schrapte, geschrapt
wit, witter, gewit
stil, stiller, gestild
leeg, leger
(strijdbijl begraven)

Rust

HOGE GEZANT

Hoge gezant

ze ligt voor het raam:
de vrouw van wie de blinden van haar ogen zijn gevallen,
die weer ziet als een kind
hoe de pluimen wiegen op de winterwind
als slingers van het lage licht.

de pendule houdt zijn adem in,
de stilte draagt gewicht.

plots zwaait de dirigent zijn woeste wolken tot elkaar
waardoor haar oren knappen
en zij vurig bidt niet te hoeven knakken nu de aarde
maanloos is en het oordeel mild mag zijn als zij boven komt om te zingen
en te fietsen.
haar fiets staat nog in de schuur.

soms is het goed je huid en ogen maar te sluiten
en te wachten tot het overwaait.
niets te verwachten: hoop oogst op zijn hoogst
wat hij belooft
na een volkomen onbekende slag
van de klok.

die nacht nemen de engelen haar zwaarte weg
maar als de zon haar wakker licht durft zij niet te kijken.
het is opnieuw stil, doodstil.
na de storm.

ze durft

dan juicht en springt het kind in haar:
de fiere pluimen wijzen ongeknakt naar boven.
voor Pampus liggend wiegt en weegt zij haar beschikte lot:
stoer slikt zij haar pil

SPEELGOEDHOND

SPEELGOEDHOND

Als de spiegel breekt in mist,
dagen aan flarden worden gegist,
Wie zet toch die lampenkap op zijn kop? –
licht niet langer op het laatste nieuws schijnt,
steeds dieper de aarde in verdwijnt

Nee, zij niet, zoiets zou zij nooit doen,
dat doen alleen mensen die de weg kwijt zijn –
zij poetst en poetst het katoen

van de lampenkap kapot,
poetst haar tanden met de haarborstel
haar haren met haar tandenborstel,
geeft hem uit duizenden haar zoen

Wat moet de gebogen man doen
nu de ratio zijn burcht is maar het argument
gestorven,
zij schaterlacht om een speelgoedhond
met een sleuteltje aan zijn kont
om hem op te winden

Hij droomt in haar hun afgelopen weg: in woestijnen
op golvende kamelen gereden,
na stijle bergtochten naakt in meren gelegen,
haar vruchtbare bekken moegestreden:
voorover gekanteld als een offer aan
vreemde gezichten aan de muur

Hij ruikt tussen haar plooien en rimpels een zweem
van hen twee van voor het pleistoceen:
haar kieuwbogen
van toen zij nog van de zee waren,
haar staartbeen
waarmee zij in traverse langs rotsen zwierden

Marmor, Stein und Eisen bricht,
alles, alles geht vorbei aber unsere Liebe nicht –
hij veegt de scherven naar het licht
en koopt de hond

WAANZINNIG GROEN

WAANZINNIG GROEN

Zij denkt dat deze zee aan grasgroen gras waarin de madelieven dartelen
en de paardenbloemen zingen van haar is.
Zij heeft geen enkele twijfel dat dit deel van de aarde van haar is,
alleen van haar.
Zij is het immers die zaait, snoeit, harkt en de erfpacht betaalt?

Maar als de zon slaapt is haar paradijs voor het rijk der slakken:
geheel naakt of met een eigen huis.
Waar zouden de naakten slapen?
Zij eten de blaadjes van de bloemen en zijn verkikkerd op haar hosta,
zij raspen en zuigen het ene gat na het andere en ook zij denken
dat dit stuk van de aarde van hen is,
alleen van hen,
terwijl zij slaapt.

Als de maan slaapt zoent het zonlicht de aarde: de gele rozen, blauweregen,
roze hibiscus, witte yucca, fluwelen rus en het grasgroene gras.
Als de maan slaapt denkt de vrouw nog harder dat dit deel van de aarde van haar is,
alleen van haar.
Alsof mussen heggen als heggen kennen.
Alsof vlinders van hekken houden.
Maar laten we haar maar in die waan houden.
Het enige wat ze heeft zijn
groene vingers.

Wijwater

Wijwater

hete stof waait schraal door het arm gemis
van rendement en booming business.
de macht van d’aarde waar jouw wijngaard ligt
pint vast je mazzel, marktwaarde en gezicht.

de jonge druif verlaat wortel en bewind,
vlucht op de zeewind samen met zijn kind,
maar hete stof waait schraal door zijn gemis
en rendement en business zijn ongewis.

zeeën en hekken van hemel hoog ontwerp
scheiden het niet-beloofde land vlijmscherp
van hem: geen mens, slechts voorwerp.
eerst slaaf nu vluchteling op de markt,
zijn bronzen huid door brandstof gemarkt.

1 druif, 2 druiven…, hoeveel passen in één boot?
zij worden met voeten getreden als joden in nood.
de zee kleurt rood als water bij de wijn wat dromen doodt.
hoeveel schepen? 1 schip, 2 schepen…, een hele vloot.

er drijft een beer, een pop en nog wat in het water,
iets om te redden? geen tijd om te kijken, misschien later.
1 druif, 2 druiven…, hoeveel passen in dit wrak?
teveel zielen om te tellen waardoor het schip brak.

witte rovers van de aarde en haar dampkring
zien hen als bedelaars beneden de juiste keerkring,
als mieren zonder ziel; ach, misschien later.
1 mier, 2 mieren…., hoeveel mieren in het water?

eeuwen van roven eist eeuwen van schaamte,
pas dan vormen zij en wij één duur geraamte,
eten we het sappige vruchtvlees van deze aarde
die bomen, beren, mezen, mieren, mensen baarde.

tot zolang waait brand stof door ‘t schraal gemis,
leven we voor meer meer booming business.
mensen op drift zijn als wolken die zwerven
van water naar water waar zij zullen sterven.

eeuwen van roven eist eeuwen van schaamte,
pas dan vormen wij en zij één duur geraamte.
bomen groeien niet tot in de hemel zoals jij beliefde.
het enige offer na zulk grieven is eeuwen lang liefde.

Jan. 2017, Carla Rus

Schuilen

Schuilen

1

haar witte jurk gekant en vol geruis,
de ranke armen open voor een ieder
sluiten alleen hem dicht tot een thuis.
het afscheid maakt hem tot nestvlieder

de vrouw is trots op haar soldaat en zal
elke mail, elk app, elke blog lezen,
vol vertrouwen amper iets te vrezen:
de kans op zijn dood is een klein toeval

zijn vinger roert haar lippen wijd
zijn tong glipt naar binnen vlijt
zich samen met haar sap en dicht

haar donkere holletje een veilig plein
zonder gezicht, gehoor en oh zo klein:
een speelkwartier in ‘t tere licht

2

waar is zijn hart onder ’t zware gewicht?
hij spiedt over het zand in zijn armen
een spuit, zijn aard gebukt onder plicht.
gesluierd smeekt de vrouw om erbarmen

zijn ziel vlucht zijn schutkleuren uit
terwijl zijn hand met ring granaten
gooit naar trommelvliezen. zijn bruid
verdwijnt ver weg zijn zijn maten

automatisch is zijn wapen, automatisch
zijn geest. de dreun bereikt zijn borstvlies,
het vuur grijpt om hem heen

de doden zijn niet van hen, maar van
wie wel? is zij de vrouw van die man
in hun schootsveld: dat stomme toeval?

3

verlof bevrijdt hem uit de hel
even wel waar is zijn ziel gebleven?
zijn hamers timmeren tijdloos schel,
het aambeeld laat zijn muren beven

’s nachts schokt hij overeind,
ziet aan zijn voeteneind als waar
dat opengereten hoofd: dierbaar
voor haar die nooit verdwijnt

schichtig is hij, ziet een spoor van
rode rotjes op straat, kruipt samen
met de hond ver weg van de ramen

schuilen in haar schoot gaat niet
meer. weggekwijnd geen hooglied
voor hem die almaar in ‘t zand spiedt

Carla Rus, Dec. 2016

Mijn lief

Mijn lief

Jij staat altijd achter me
ook als je naast me staat
of tegenover me
Als je tegen me bent
ben je nog voor me
Hoe heb ik je kunnen kiezen?
Ach Neeltje die ik bemin
om haar ene zin:
voor wie ik lief heb
wil ik heten

Carla Rus, Dec. 2016

Wind beweegt mijn tak

Wind beweegt mijn tak

Mijn klein paradijs:
jaren zicht op seizoenen,
elk uur weer anders.

De vijver is klein,
de reiger staat op één poot.
Wacht: de pad springt weg.

Een witte vlinder
vliegt vlug door mijn paradijs,
zoent zachtjes mijn ziel.

Krekels in de nacht,
spinnenweb in de yuka,
het duister streelt zoet.

De rode wingerd
strooit bladeren op mijn pad,
de herfstzon kleurt goud.

Koud en grijs is het,
een winterkoninkje zit
op mijn kale tak.

Bomen tekenen
stil bloedvaten in de lucht;
wind beweegt mijn tak.

Sneeuw valt met pakken,
een tulp schijnt dood. De zon komt:
de tulp blijkt fris rood.

De natuur is klaar
wakker. Bloemen geuren zacht,
de wesp wil steken.

Carla Rus, 2016

zonlicht


               z
          zo
        zon
licht
        icht
          cht
            ht
              t

z
zon
zonlich
zonlicht
dwaallic
htkerstl
ichtdwa
allichtk
erstlicht
zonlicht
kerstlic
htdwaa
lichtkers
tlichten
zonlicht


Als
we elkaar
bijlichten op
ons levenspad
van klei, veen of zand,
verdwalen kinderen minder
snel en zien wij scherper onze
les; voelen jongeren zich meer thuis
in ons vlakke – uit zee gewonnen – land,
worden zij minder snel ontvankelijk voor
de ratten-
vangers
van
I S


Als
we het
vlammetje van
de duurzaamheid
aansteken en er hélemaal
voor gaan; álle jongeren onder
de zon hierbij betrekken en hen
oprecht zien staan, worden we ieders
lichtje op ons levenspad van klei, veen of
zand, zien wij scherper onze les en nemen
we elkaar
liefdevol
bij de
hand


In de
lichtstad
opende pure haat
het vuur op geliefden en
genot: pijlen van afgedwaald
licht verbrandde ons vlees en bracht
dit rechtsstreeks bij God; hier viel ook
het vederen besluit zonlicht te verzilveren
op de héle aarde en in élk land: zonlicht dat
jongeren kan bijschijnen op hun levenspad
van
klei,
veen
of zand.

Carla, kerst 2015

Lovergirl

Lovergirl

Alleen jouw huid, niet jouw ziel wil hij:
een tere bloem nog in de knop verkopen.
Jíj bent het die zijn liefde en erkenning wil,
de sleutel tot jouw heiligdom laat lopen.

Je spiegelbeeld oogt schoonheid die ontluikt,
ook een verlangen dit aan de wereld te tonen.
Maar hij wil alleen je huid en niet je ziel:
een tere bloem nog in de knop verkopen.

Je werd gelokt, geïsoleerd en toen gebruikt;
verraden werd je liefde en de sleutel tot je edele
delen verkwanseld. Je zelfbeeld – verscholen
in alle vezels van je lijf – bevroor totdat het viel:
hij wilde alleen jouw huid, maar stal je ziel.

Carla Rus, 11 september 2015

Gedicht voor jou

Gedicht voor jou

Een gedicht voor mijn liefste,
voor stilte na de storm.
Een storm die schijnbaar onverwacht aankomt
woeden zo hard en guur
dat jij en ik wegwaaien
als hoge rietstengels
bijna
knakken
terwijl wij ons niet aan elkaar
vasthouden
want we zijn elkaars storm:
twee lagedrukgebieden in botsing
strijdend om hun gelijk,
een strijd tussen eigenliefde en
liefde voor de ander.

En het diepe water roept,
zuigt tot angstig zwart,
de orkaan trekt aan tot een
hoogtepunt.
Kan het nog dieper:
dat water,
die liefde?
Hoe diep moet jij gaan,
hoe diep moet ik gaan,
totdat ik weet dat ik
leef,
nodig ben,
geliefd ben,
en ik jou als liefde
accepteer
zonder twijfel
om wie jij bent?

Ook als je niet bij mij bent
omdat je zit in jouw eigen woestijn
op de bank zo dichtbij,
terwijl de wind huilt,
de wolken razen
de eenzaamheid dreigt,
de kilte snijdt,
jij door het koude water
mij niet meer hoort
roepen.
Heel hard,
steeds harder
tot mijn orkaan aanzwelt
tot een tropische cycloon
zo overweldigend en verschrikkelijk
dat de meeuwen van onze eigen zee
onrustig krijsend rondjes vliegen
waardoor ik jou niet meer hoor
roepen.

Stilte na de storm
kan met dit:
een gedicht;
zodat ik kan geloven
in jouw liefde,
het water rustig wordt:
strak en nog steeds diep
maar een geheim
prijsgegeven.
Maar het water is zo onmetelijk diep,
kan zoveel geheimen herbergen,
hoeveel stormen zijn nog nodig
voordat jij en ik,
vooral ik als gevangene
van jouw liefde en
ons huis,
ben uitgeraasd?

Elkaars adem proevend
de tijd hebben.
Elkaars stem horen
de tijd nemen:
een gedicht
als stilte na de storm,
als troost.
Elkaar vasthouden
niet verstikken maar
aanraken:
jouw hand
de mijne
jouw ziel
de mijne:
een verbond.

Carla, 2015

Gemankeerde minnares

Gemankeerde minnares

Mijn dij lokt je hand, jouw hand zoekt mijn dij,
met hoede en vleugels om die minnaar mijn pijn.
Onze rozen stromen gestaag in een bedding te smal:
elke drang van je lusten kan een ravijn voor mij zijn.
Adagio van egels, slechts speelsheid en blo
voor allegro con fuoco: ooit verlangd nooit meer zo.
Nabijheid achter glas, een omhelzing die net kan,
verbod op dopamine en vocht in mijn woestijn.
Passie als gedepte tranen, herinneringen teer en
zeer, klagende violen: zulk genot komt niet weer.
Mijn acceso gesmoord: ik schoof het aan kant,
mijn lief helpt zichzelf met zijn eigen vrije hand.
Rest de troost van hormonen uit zelf overwonnen
zee en dwalen en verdwalen in dromen aan land:

Geuren van sappen, naakte huiden in het gras,
gekriebel van sprieten, vingers zompig en zacht.
Je wegende torso omhelst mij als verse groene kool,
schuring van weelde op mijn welving tot een viool.
Lavendel blijft vlinderen en snaren zwellen aan,
je toog schenkt steeds voller, loopt over in de maan.
Jouw borst als een schip rust in zijn diepste werf,
mijn lippen willen een toetje van golvende verf.
De droom verdwijnt achter de coulissen, zoals alle
dromen doen.
De gebleven gloed zoekt noest in ons dagelijks groen
vitaminen en wat slagroom op een ongebruikte zoen.
Kom dichtbij, dichterbij, je fantasie raakt mijn dij,
mijn geest is in vervoering: jouw ziel vaart in mij.

Getourmenteerd

Getourmenteerd

Ik
Ik weet
Ik weet niet
Ik weet niet hoe
Ik weet niet hoe ik
Ik weet niet hoe ik verder
Ik weet niet hoe ik verder moet.

Móét ik dit nu doen?
Moet ík dit nu doen?
Moet ik dít nu doen?
Moet ik dit nú doen?
Moet ik dit nu dóén?

Twijfelt mijn nature of nurture?
Ik schil mijn zure appel af
in eindeloze spiralen
en overweeg
de slang.

Ik
Ik kan
Ik kan niet
Ik kan niet verder.
Ik
Ik ga
Ik ga verder.

Schaduw
Schaduw is
Schaduw is verborgen
Schaduw is verborgen licht.

Carla, 18 sept. 2015

Kinderspel

Kinderspel

Rolverdeling:

Als jij de koning bent
als zon,
en ik de koningin
als aarde en maan,
kun jij mij bewegen
en ik mijzelf.
Kun jij mijn borsten verwarmen
met jouw stralen,
mijn hemelstreek bezetten
met jouw rib;
kan ik jouw dragen op mijn bodem
en laten thuiskomen
in mijn schoot.

Spelregels:

Verboden is het
met je speelbal
ongevraagd mijn aarde
in te zinken.
Kijk uit!: dan dreigt
mijn (water)val,
kun je in diepe
ademnood verdrinken
in de zoute vloed
van al mijn tranen,
breekt jouw stom
gemis aan kennis
van mijn regels over
eb en vloed jou op:
mijn cyclus dood(t),
een bal op je kop!

Verklaring spelregels:

Als ik blank en vol ben
en jouw koper rood,
kan jouw hitte mij
verbranden: verassen tot
pure stof en schroot.
Begrijp me:
dáárom hul ik mij
in gordijnen water,
in woorden verborgen
in vette crême.
Want ik kan jóú niet
bewegen of stuiten,
slechts verlangen en
ontvangen,
of uit benauwdheid
voor de kater
gemeen en snel
mijn luiken sluiten.

Uitslag spel:

Jouw zon trekt mij aan,
mijn aarde mijn maan:
een spel uit één bron.
De oerknal slingerde ons
door het heelal
ver uiteen.
Maar als we elkaar
– gas en steen –
als dierbare dwergen
blijven zoeken,
mag jij elke prille
ochtend en nacht
zonder doeken
in mij zwemmen;
mag je mij
oh rood liefdespij
bedekken tot
aan mijn horizon.

Wanneer wij
in onze banen
dartel blijven
draaien en keren:
In spin de bocht gaat in,
blijft de aarde
smeuïg en vet;
wens ik mijn hoofd
te laten slapen
op de schouder
van de koning
in een stout op
muziek gezet
vertelsel
over ons mooie
minizonnestelsel;
verstrengelen wij
innig terwijl ik zing:

Engelenvleugels
toveren voor
dit liefdespaar
sneller dan
één lichtjaar
de hemel om tot
zoet gewelf.
We zijn beiden
winnaar:
schitterende
sterrenstof,
maar
gewoon
onszelf!

Carla, augustus 2015

Hebron

Hebron

de eelten moederhand houdt aldoor
die ene zwarte klokslag tegen:
flits in de tijd die haar ziel bevroor
onbestaanbaar dus verzwegen

krimpen de vogels en de wind,
gaat ooit die schelle fluit voorbij?
huizen zijn al eeuwen ruïnes, hij
ligt met zijn hoofd op een kei

Ismaël werd klein geboren, haar eerste
van Abraham bijna vroeg verloren aan
woestijnen vrees toen afgunst heerste

zijn zwakke hart een moedig soldaat
dat aandringend tikte om te geven
terwijl zij het broze leven slechts bevend
aan Allah is groot over kon geven

nu knokt zij zelf met blote moederhand
achterwaarts tegen een klagende muur
van tijd; steeds vergeefs, steeds te laat:
weggestuurd naar niemandsland

haar zoon was veel beloofd:
stampte tal van verbanden
en Latijnse namen in het hoofd
onuitverkoren tussen zijn handen

hij loopt voor brood met zijn zus
naar de overkant van de straat,
halverwege breekt haar kus,
waarom vergat God deze granaat?

elke nacht stroomt haar straat
diep in haar schoot donkerrood,
haar hoofdkussen fluit een schelle noot
die nooit meer overgaat

Carla Rus, april 2016

Vliegende mier

Vliegende mier

Een vliegende mier:
dat is wie zij was,
een mier die in één hete zomer
haar vleugels verloor.

Nu kruipt zij al haar jaren door gangen
in bittere aarde, bijt zich hard door de tijd
om hem vruchtbaar te verstrijken,
worstelt met wonden die wijken,
probeert los te laten
dat zij kon vliegen.

Zo wonderlijk hoog en ver kon
zij zwieren als mierenkind
in haar mierendromen.
Zij hoefde alleen een aanloopje te nemen
haar armen uit te slaan en vloog op:

hoger en hoger tot in de wolken, want een
gewaarschuwd kind telt twee vleugels,
vliegt niet naar de zon, keert haar sprieten
bij kleine en kleingeworden grote mieren,
wil dicht in hun geuren blijven.

Maar ook al lijkt zij een koningin van stature
met alle werkmieren die haar dienen
en haar nest versieren,
ze is een werkster.
Ze werkt zo hard als zij haar hele vrije vliegende
bovengrondse leven nog niet heeft gedaan.
In donkerte zonder horizon
zonder rossig gloren.

Wie begrijpt waarlijk een koningin
zonder dit geweest te zijn?

Carla Rus, jan. 2016

Mijn kruis

Mijn kruis

Twee lijnen violet van kleur
kruisen
elkaar in een
geel korenlandschap
– zoals onze wegen
elkaar elke dag kruisen,
op één punt uitkomen
dat in de wiskunde niets is
maar voor ons
alles:
een uitgestrekt glooiend sapgroen grasveld
om tijdloos tegen elkaar aan te liggen
tot aan de horizon waar ons verdwijnpunt ligt,
of in ieder geval
veel:
een veld met uitbundige zonnebloemen
om juichend naast elkaar te rennen
met de armen omhoog naar de hemel gericht –

en vervolgen
hun dunne paarse
weg in de gele uitgestrekte vlakte
naar het oneindige: het grote licht
dat niet echt
het oneindige is
als we de ouderwetse
tangens van onze wiskundeleraar
– die op de schouders van giganten staat –
mogen geloven
of de nieuwerwetse
tijdruimte van de grote Einstein
– die zelf al lang voorbij de horizon is –
die afbuigt
dus haar lijnen van welke kleur dan ook
ook.

De vraag is of
de weglopende levenslijnen
elkaar daardoor toch ooit weer
zullen kruisen in
een snijpunt van zachtgroen of vlammend oranje
of misschien in een stralend brandpunt gevormd door
het licht dat witte krokussen ons geven wanneer
de lentezon hen zachtjes wakker zoent.
Ik hoop hard
dat die violette lijnen niet
echt naar het oneindige
lopen
want dan kan
mijn knoestige bruine houten
bij tijden loodzware kruis eindeloos
duren
want wie zegt
dat mijn kruis

ophoudt
dichtbij
het kruispunt en
de loodlijnen niet gewoon doorlopen
in diepdonkerbruin?
Eindeloze inlegkruisen,
eindeloze
cycli van bloedrood of roestigbruin,
eindeloos
tranen van verdriet om
eindeloos veel oorzaken:
want de hele wereld rust bij tijd en wijlen
op mijn pijnlijke schouders,
eindeloos
mijn keel dichtknijpende angst om
de kinderen
over wie ik zo verschrikkelijk goed kan fantaseren
want in mijn nachtelijke moederhoofd
loop ik alle mogelijke lijnen af
alsof ik de kwantumfysicus Bohr zelf ben
tot in de ochtend de engelen de ergste zwaarte van mij af
hebben genomen en ik toch doorga,

eindeloos veel
pijn van mijn ziekte die onuitgenodigd met me oploopt
tot aan mijn horizon naar ons beider verdwijnpunt,
eindeloos
aftakelen en onttakelen en denken: kan het nog erger?
En jij mijn liefste loopt met me mee
in rustig blauw met een fakkel die ons bij schijnt
zo ver, dat de herfstbladeren
onder onze voeten knisperen
maar niet helemaal tot het verdwijnpunt
van mijn leven en mijn ziekte
want jij hebt een ander verdwijnpunt. Op jouw tijd.

Ik hoop dat de lijn van mijn leven
afbuigt:
een eindig kruis is van
bruine krampen, rode pijn, grijze dagen,
violet tikkende seconden,
een brandend oranje
kruis desnoods,
maar eindig.
Ik verlang wel met heel mijn ziel dat
onze wegen elkaar al die tijd
blijven kruisen
iedere keer in een ander landschap
met andere luchten en bloemen en bladeren en pruimen:
het uitzicht op dit kleinste paradijs op aarde
vanuit mijn gouden kooi
waarin ik gevangen zit
als een kleine kwetsbare vogel die laag bij de grond
leeft als een kikker maar die door haar ziekte
een vogelperspectief heeft ontvangen
met kruisen en mollen en muziek en sleutels en tra la la
tot in het oneindige.

Ik ben niet opgevoed
om dit af te smeken met
drie kruisjes te slaan
op mijn hoge blanke voorhoofd
daarna op mijn borst waar
de ribben doorheen steken maar
waarin mijn hart nog warm klopt
voor ieder die mijn weg toevallig
of niet toevallig kruist
en mijn linker en rechter brede schouder.
Daarom zet ik simpelweg
bij het hokje van dit verlangen
een grafieten
kruisje.

Carla, 10 okt. 2015

Battle of the Scheldt

Battle of the Scheldt.              eind 1944
Woensdrecht brandt, stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde;
bevrijders komen uit het oosten, zuiden en westen,
gaan waar de vijand zit: de bunkers, mitrailleursnesten.

Explosies in het met zeearmen doorregen land
scheuren dorpen uiteen: mensen en dieren, hun zielen;
soldaten ploeteren in de striemende regen door het slijk:
zonen van ver over zee in een geknecht koninkrijk.

Generaals wilden door, maar voorraad blijft plicht,
dus reizen vermoeide helden naar het tere Hollandse licht,
scheuren explosies in het met zeearmen doorregen
land steden uiteen: mensen en dieren, hun zielen.

Antwerpen is bevrijd, haar navelstreng van de vijand,
Adolf maakt zich sterk: geeft aan de oevers felle weerstand;
Zeeuwse boeren worden uit huis gesleept voor nieuw beleg:
rommelasperges moeten zij planten in akkers aan eigen weg

In Schoondijke spaart het vuur Gods huis, verder staat er geen,
een jongen verliest zijn broer, zijn vader verliest zijn been;
fakkels steken Breskens aan, ‘t stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde.

Bevrijders komen uit de lucht, de zee en ‘t kale polderland,
heimwee knaagt, rouw om het dode maatje in dit vreemde land;
een vuurbal treft het stadje Sluis: ‘t stinkt naar verschroeide aarde,
alles wordt vernietigd, alles van enige waarde.

Dijken worden vermorzeld: bescherming voor gewonnen land,
gekrijs van metalen meeuwen met moedige jongens bemand;
ontploffingen en watergolven – opgezweept door woeste wind,
dijkbrokken in een zee die meester wordt van land, vrouw en kind.

Mekkerende schapen, een stoel, een kadaver van een zwart paard:
alles drijft in het verdronken land ver weg: weg van huis en haard,
dijken worden vermorzeld rond gewonnen vruchtbaar land,
gekrijs van metalen meeuwen met bange jongens bemand.

In Westkapelle vluchten families de molen in als ratten in de val,
in Vlissingen blijft slechts één huis intact in straten van verval,
het vrije water is rood van tranen om duizenden zonen die vielen;
oorlog scheurt organismen uiteen: mensen en dieren, hun zielen.

Carla Rus, 3 oktober 2015

Afscheid

Afscheid,

Ooit leefde ik in u,
met mijn hoofd en hart,
met mijn gedachten en gevoelens;
dit alles groeide in
de geborgenheid van uw schoot,
tot God in mijn pasgemaakte oor fluisterde:
het is je tijd.

Ooit leefde ik in u,
de eerste scheiding ging gepaard
met een schreeuw van pijn,
van u en mij,
doch ook met een lach
van u en later ook van mij,
daarna leefde ik niet meer in maar met u.

Dit met werd steeds minder,
door u kon ik leven,
doch u moest mij loslaten;
vlak voor uw eigen geboortedag
fluisterde God in uw oude oor:
het is je tijd,
en nu moet ik ú loslaten.

Ooit leefde ik in u,
nu leeft u in mij,
in mijn hoofd en hart,
in mijn gedachten en gevoelens,
in de geborgenheid van mijn ziel
leeft u voort,
in de liefde
voor uw kindskinderen
blijft u immer
bestaan.

Carla Rus, 30 september 1999

De val

De val

Mijn leven een draad, gesponnen
van licht en lust, van gisteren
naar morgen, geen rechte maar toch:
voorwaarts riep mijn engel.
Tot onverwacht
één enkel scherp
moment
mij koos,
onomkeerbaar ving in zijn droom
van tijdloos bungelen.

Mijn leven aan een draad, een droom
ving mijn hoofd, het
duizelde en suisde, raakte
verblind en verdoofd,
verdwaasd en verdoemd.

Een droom houdt mijn hoofd
gevangen, een kerker mijn ziel.
Elke engel is vrij, de mijne verkoos
te vallen en ligt
in graniet gehouwen
naast mij
bij mij
héél dichtbij;
een zuchtje wind streelt mijn huid
een zachte geur troost stukken
vleugel.

Carla Rus, 1997

De kleurmuis

De kleurmuis

Ongewis
van haar schoonheid
bukt zij zich.
De zon danst over haar neusringen,
in haar zwarte vlecht
geuren verse bloemen,
tussen haar wenkbrauwen ingebeiteld
een gloeiende rode stip.
Het glanzend zwart
omzoomd door vochtig riet
rust haast onmerkbaar kort
op mijn bleekheid,
bezweemd wendt zij ijlings
haar bloemkopje af.

De korte tengere stengel
buigt verder,
de zachte bruine kin
valt naar voren,
de ronde knieën knielen:
raken met haar zingend kleed
het koele steen.
Nu toont zij zich slechts
een platte kleurmuis
in aanbidding
voor een beeld;
ongewis
van de God
in haarzelf.

Carla, 1979